deredactie.be - OPINIE

Waarom de overheidsschuld omlaag moet

28 / 01 / 2012
Veel van de onvrede met het beleid dat in België en elders in Europa wordt aangestuurd onder druk van de eurocrisis focust op de perverse effecten van besparingen. Tegenstanders wijzen er op dat overheidstekorten deels ontstaan door het compenseren van de crisis door sociale uitgaven en dat saneringsdrift leidt tot een negatieve spiraal van nog minder groei en nog hogere tekorten.

Wij delen de basisbekommernis dat alleen besparen geen definitieve oplossing voor de crisis kan inhouden. Maar we willen tegelijkertijd beklemtonen dat het terugdringen van de overheidsschuld wel degelijk een prioriteit is. Onze hoge overheidsschuld is geen getuigenis van verantwoordelijk gedrag van de overheid. We kunnen ons enkele (maar niet veel!) landen voorstellen waar de overheidsschuld effectief vooral door de financiële crisis is ontstaan. In ons eigen land bedroeg de schuld reeds voor de crisis meer dan 85% van het nationaal inkomen: bijna 90% van onze staatsschuld komt niet door verantwoordelijk crisis-werend beleid.

Bovendien kan men argumenteren dat we talloze problemen de voorbije decennia naar de toekomst hebben verschoven. Hierdoor torsen we een enorme impliciete schuld mee die onder de waterlijn blijft maar daarom niet minder reëel is. Denk maar aan de gebrekkige infrastructuur of aan de pensioenverplichtingen. Deze laatste verplichten toekomstige generaties tot het financieren van uitgaven die vorige generaties hebben beslist. De gok dat die financiering wel zou loslopen door de magie van economische groei, productiviteitsgroei en bevolkingsgroei, is ondertussen uit elkaar gespat. Daar zullen we decennialang letterlijk de rekening voor betalen. Verantwoordelijk beleid lijkt ons iets anders.

Decennialange schuldverslaving

Er is ook ruime evidentie dat het er wel degelijk zoiets bestaat als een kritische drempel van het schuldniveau, waarboven het stimulerend effect van extra uitgaven contraproductief werkt. Wie schuldverslaafd is, besteedt elk jaar een deel van zijn rijkdom aan het herfinancieren van schulden. Dat geld kan maar één keer worden uitgegeven. Het kan niet dienen om belastingen te verlagen: denk maar aan onze torenhoge arbeidslasten die werkgelegenheid en groei afremmen. Het kan evenmin gaan naar infrastructuur, justitie, onderzoek en ontwikkeling, integratie van immigranten, of onderwijs. Check de bedenkelijke staat van al die cruciale hefbomen voor toekomstige welvaart en welzijn, en je ziet per saldo het resultaat van decennialange schuldverslaving.

Dan is er het argument dat schulden geen generatiezaak zijn omdat de volgende generatie zowel de schulden (passiva) als de aanspraken (activa) erft. Vooreerst snijdt dit argument geen hout wanneer schulden door buitenlandse schuldeisers worden gefinancierd, wat in belangrijke mate het geval is. Daarnaast is de erfenis wel erg pijnlijk voor kinderen die niet het geluk hebben obligaties te erven. Dat hiermee de bestaande ongelijkheid in huidige generaties wordt weerspiegeld, is toch wel een cynische vaststelling. Wij menen dat overheidsbeleid – in casu het budgettaire – niet moet dienen om ongelijkheden te bestendigen, maar om nieuwgeborenen maximaal kansen te bieden. Overheidsschuld is een belasting op de toekomst die de ongelijkheid van het verleden projecteert. En als door een te hoge schuld hogere risicopremies ook hogere rentevoeten induceren, is de overgrote meerderheid al helemaal de klos.

Het echte debat

Het is natuurlijk mogelijk dat schulden gigantische productieve investeringen betreffen. Maar dat is duidelijk niet het geval vandaag. We teren eerder op investeringen van het verleden en maken vooral consumptieve uitgaven waarvan onderzoek al decennia aantoont dat ze onproductief zijn. Begrijp ons niet verkeerd: uitgaven kunnen verdedigd worden op basis van sociale rechtvaardigheid, maar dat is een heel ander onderwerp. Het echte debat moet met andere woorden gaan over juiste overheidsuitgaven in plaats van over het volume. In de Verenigde Staten wordt dit debat nog veel scherper gevoerd dan bij ons, en dat is ook logisch. In Europa zijn er belangrijke automatische stabilisatoren die sowieso de scherpe kantjes afvijlen.

We pleiten er voor een debat dat elders in andere omstandigheden terecht gevoerd wordt, niet zomaar in ons land te importeren. Idem ten aanzien van Europa, dat in zijn beleid vooral de grootste probleemlanden viseert en waar de besparingsinspanning onnoemelijk veel zwaarder weegt dan bij ons. Het Belgische begrotingstraject is niet meteen besparingsdrift. Het is de weg van de geleidelijkheid en de Europese Commissie heeft ons er al op moeten wijzigen dat onze structurele inspanningen (dus gezuiverd voor de conjunctuur) ondermaats waren de voorbije jaren.

Budgettaire coördinatie in Europa

Ten gronde zijn we het allen eens dat exclusief-budgettaire fixatie niet de beste remedie is voor ons crisisgewricht. Daarom pleiten we voor aangepaste budgettaire coördinatie in Europa, zodat landen met marge zuurstof kunnen geven voor die landen waar besparen echt wel onvermijdelijk is. België hoort ons inziens niet bij de eerste groep.

Het is daarenboven belangrijk dat we niet alleen voor schuldbeleid gaan als schokdemper bij crisis, maar in de goede tijden ook begrotingsoverschotten realiseren. De economische theorie wil dat, maar de politieke realiteit brengt ons vaak alleen het eerste. In het politieke proces ligt de knoop. Politici moeten verkozen worden. Het is hen daarom natuurlijk schulden te maken wanneer het slecht gaat en tegennatuurlijk te besparen wanneer het goed gaat. Dat is de kern van onze overheidsschuld en die is wel degelijk problematisch. Een grondwettelijke schuldremmer die de politici disciplineert, is daarom een nuttige zaak. Maar dat is een maatregel die pas in de toekomst zal renderen. Jammer genoeg, zullen we eerst in lengte van jaren de schulderfenis van het verleden moeten afbouwen. Hopelijk voor de allerlaatste keer.

Marc De Vos – Ivan Van de Cloot

De auteurs zijn respectievelijk directeur en hoofdeconoom van het Itinera Institute, denktank voor duurzame economische groei en sociale bescherming www.itinerainstitute.org

De gratis-pijn van De Lijn

26 / 01 / 2012

D

e tarieven van de spoorwegen en het stads- en streekvervoer worden ieder jaar op 1 februari aangepast aan de gestegen levensduurte. Bij De Lijn springt de forse verhoging van de 60+-abonnementen in het oog. Een eerste stap naar meer realistische tarieven voor tram en bus in Vlaanderen?

Het stond in de sterren geschreven dat gratis en lage tarieven vroeg of laat tot financiële pijn zouden leiden. We zijn nu zo ver. Maar durft de Vlaamse regering een eind aan het gratis feest maken?

Het gratis-verhaal

Even terug in de tijd. Het spraakmakende gratisverhaal begon in 1997 in Hasselt. De sp.a’er Steve Stevaert was toen burgemeester. Onder zijn impuls werd de bus in de Limburgse hoofdstad gratis. De stad kocht de kostendekkingsgraad van slechts 9% af. Wel werd het aanbod fors uitgebreid.
In 2000 werd de volgende stap gezet. Stevaert had het intussen gebracht tot Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Dankzij hem konden 960.000 Vlaamse 65-plussers voortaan gratis met tram en bus rijden. Eind 2001 waren er al 1,2 miljoen 65+-kaartjes in omloop.

Automatisch

Wie 65 wordt, krijgt tot nog toe automatisch een abonnement toegestuurd, ook al wil of kan zij/hij er geen gebruik van maken. Dat automatisch sturen heeft ook iets cynisch, zeker als het ‘geschenk’ terechtkomt bij mensen die voor de rest van hun leven aan het ziekbed gekluisterd zijn. Maar Stevaert wilde het simpel houden.

Gespreid over 2000 en 2001 betaalde de overheid aan De Lijn 980 miljoen frank (24,5 miljoen euro) voor het gratis vervoer dat dus niet gratis is. Daarna werd de bijdrage ingepast in de exploitatiesubsidie. Hoeveel geld de overheid betaalt voor het gratis vervoer van de 65-plussers is niet meer duidelijk.

‘Politieke zelfmoord’

Op de gratis-politiek van Stevaert kwam geen openlijke kritiek van de christendemocraten en liberalen. Wel was er bezorgdheid. Kunnen we dat gratis nog terugdraaien in financieel minder goede tijden? Volgens Stevaert zou geen enkele politicus dat aandurven. Dat zou ‘politieke zelfmoord’ betekenen.
Transporteconomen hadden wel bedenkingen. ‘Gratis is nooit gratis. Sociale politiek bedrijf je niet met gratis vervoer. Mensen met een laag inkomen zijn beter af met meer geld in hun portemonnee. Dan kunnen ze zelf bepalen waar ze dat geld aan besteden’, luidde hun stelling.

Een ander punt van kritiek was dat De Lijn qua capaciteit niet was voorbereid op gratis vervoer zonder tijdsbeperking. Al vanaf de eerste dag werd dat duidelijk op de drukke tramlijnen in Antwerpen en Gent. Dat leidde tot vaak pittige conflicten tussen oud en jong. Twaalf jaar na de invoering van gratis vervoer voor 65-plussers is de tramcapaciteit in de spits nog steeds ontoereikend. In Gent, Antwerpen én in de zomer ook aan de Kust.

Eenvoudig

Naast gratis vervoer voor 65-plussers en kinderen tot en met 11 introduceerde De Lijn onder politieke druk goedkope abonnementen geldig in heel Vlaanderen. Verder werden twee soorten kaartjes ingevoerd, voor 1 en 2 zones en voor 3 zones en meer. Eenvoudig, dat zeker. Wie zijn ticket of Lijnkaart in de voorverkoop aanschaft, is nog voordeliger uit. Met een Lijnkaart kun je bijvoorbeeld voor 1,60 euro van Adinkerke naar Knokke trammen. Buitenlanders verbazen zich over het goedkope stads- en streekvervoer in Vlaanderen.
Maar het geld dat de overheid uitgeeft aan gratis en lage tarieven kan niet worden besteed aan dienstverlening en investeringen. Aan investeringen bestaat nochtans grote behoefte. Zo slaagt De Lijn er zelfs niet in om tijdig haar tramvloot te moderniseren.

Matige stijging

Op 1 februari verhoogt De Lijn de prijs van de abonnementen met gemiddeld 2,7%. Uitschieter is het abonnement voor 60-plussers. Dat wordt 25% duurder. Een eerste stap naar meer realistische tarieven? De prijzen van de tickets en kaarten blijven ongewijzigd.

Ter vergelijking, de Waalse SRWT, die zich als TEC (Transport En Commun) in het straatbeeld presenteert, verhoogt alle tarieven met gemiddeld 5,52%.

Mobib-kaart

De Mobib-kaart, een chipkaart, die De Lijn begin 2013 invoert, wordt niet automatisch naar alle 65-plussers gestuurd. Een wijze beslissing. Vanaf mei worden de toekomstige en vanaf september de huidige 65-plussers geïnformeerd dat ze de Mobib-kaart, die vijf jaar geldig is, kunnen aanvragen. De kaart kost, net als bij de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer te Brussel (MIVB), 5 euro. Dat bedrag dekt de administratie-, porto- en aanmaakkosten en moet door alle aanvragers, ongeacht de leeftijd, worden betaald.

Die 5 euro staat los van het eventuele abonnementsgeld dat aan Vlaamse 65-plussers zou kunnen worden gevraagd. Maar die beslissing wordt niet door De Lijn maar door de Vlaamse regering genomen. Het is overigens de vraag of de politiek de moed heeft om te raken aan wat een aantal 65-plussers als een verworven recht beschouwt.

Het verplichte aanvragen van de Mobib-kaart heeft als voordeel dat De Lijn precies weet hoeveel 65-plussers échte gebruikers zijn. Eerder bleek uit een grondig onderzoek dat 41% nooit het gratis kaartje gebruikt.

Herman Welter

(De auteur volgt al tientallen jaren de ontwikkelingen bij het openbaar vervoer.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Het gat in de markt van de eenzaamheid

Ik had al heel wat gedachten gewijd aan de vreemde structuur van mijn familie, een hecht compact blok dat in een lege ruimte hing met niets erachter en niets ernaast, geen grootouders, geen ooms en tantes, geen neven en nichten, geen enkel soort familieleden. (…) Ik had niet één oud verhaal om naar te luisteren, enkel wat op zichzelf staande berichten, sporadische commentaren, fragmenten die niet altijd overeenkwamen met de feiten die mijn broers en zussen kenden’. Almudena Grandes, Het ijzige hart.

Zoals dat gaat bij dood en verlies hanteren nabestaanden hun herinneringen als houvast voor wie verder moet. We vullen er onze lege ruimtes mee en geven onszelf en wie na ons komen een gevoel van zekerheid. Wie die kansen nog kan koesteren, vult de leegte met de regelmaat van het bezoek aan de resterende ouder. De dood van een partner onthult herinneringen die niemand nog kan tegenspreken. We kunnen luisteren naar de manier waarop onze eenzame ouder de eigen lege ruimtes heeft gevuld met verhalen. Ook al klonken ze in onze herinneringen anders en zijn ze aan een ander perspectief onderhevig, soms leiden ze tot andere posities, zelfs tot andere inzichten.

Ook over onszelf.

Al is de precieze golflengte waarop we communiceren meestal verschillend.

Ketenzorg

Zoals zovelen van mijn generatie bezoek ik bijna wekelijks mijn moeder die intussen ook weet dat naast soep en koek stoffige dozen de ‘hectaren van ons geheugen’ kunnen vullen. Met verkleurde foto’s of minuscule lichtdrukmalen van nog vóór de grote oorlogen. Liever dan een lekkende wasmachine, koude radiatoren en een dode autobatterij.

Terwijl zij vertelt wie er op de foto staat en waar het tafereel zich afspeelde, brengt ze mij een verhaal over het voor en na als een schakel van de ketenzorg van haar leven dat in het mijne verder getakeld wordt.
Soms zijn die geschenken van het geheugen hilarisch, soms irriterend, vervelend of ontroerend. Maar na iedere sessie heeft de bezoeker weer beter begrepen wie hij is, en waar hij vandaan komt, wat hij wie ooit heeft aangedaan, wie moet verwittigd worden voor de begrafenis en wie een kaartje krijgt voor de uitvaart.

En wie niet

Liefde op maat

Aan de hand van het parochieblad en de krant wordt weinig subtiel duidelijk gemaakt dat de aartsbisschop schuldig verzuimde om paal en park te stellen aan het misbruik in de kerk, wat vroeger allemaal nog erger was want toen durfde niemand wat te zeggen. En de vorige en die daarvoor en daarvoor verzuimden minstens zoveel of nog meer.
En of een pastoor nog wel in aanmerking komt voor de dienst en welke begrafenisondernemer in de gratie is.

Dan overlopen we de uitdijende lijst van gepersonaliseerde noodkreten om geldelijke hulp die sinds ze ‘Blindenzorg Licht en Liefde’ in haar gulle solidariteit had omarmd, blijven toestromen. Dezelfde aanhef met de ongebruikelijke eerste voornaam getuigt van het onderling verkopen van adresbestanden met potentiële donoren door de zogenaamde ‘hulporganisaties’. De nieuwe bedelindustrie op haar best.

Nadien komen de vele brieven en folders van op maat gesneden telefoonabonnementen, internetaansluitingen, spotgoedkope energiecontracten, uitvaartverzekeringen, onbegrijpelijke pensioenaanpassingen en dito bankuittreksels.

Duistere package deals

In de telecommunicatie zijn wisselende tarieven vooral ondoorzichtig. Wat heb je als bejaarde aan al die verschillende aanbiedingen van telefoonbedrijven met tarieflijsten waar ze zelf niet eens meer aan uit kunnen. Wie nog televisie wil zonder allerlei internet- en telefoon-package-deals is eraan voor de moeite. Echt voordelig wisselen van gas- en elektriciteitsleverancier is een quasi onmogelijke opgave.

En niet alleen bejaarden neigen hier tot abstinentie.
Voor de ratrace van de vrije markt wordt door steeds meer mensen bedankt.

In Nederland verkiezen steeds meer vaklui een ZZP statuut - zelfstandige zonder personeel - boven een looncontract waar hun werk- en leefritme door opgejaagde bazen bepaald wordt. Iedereen heet intussen productmanager. Van samenwerken wil niemand nog weten. De eenheidsvakbond - FNV Bondgenoten - werd tot brokkenpap herleid, net nu fors gemorreld wordt aan de pensioenakkoorden en gekort op de uitbetalingen.

Oude vormen en gedachten lijken stervende.

Maar binnen een grillige huizenmarkt blijkt ‘co-housing’ niet langer een overjaars commune-ideaal. Wanneer zelfs een organisatie als Touring Wegenhulp een syndicaat van automobilisten wil oprichten ‘tegen een regering die het geld altijd bij de chauffeurs ophaalt’, is dit omdat er een onderstroom zwelt tegen het liberalistische consumentenideaal van ieder voor zich.

Homestroom

In Nederland bleek een ‘gat in de markt’ een permanent zoeken naar voordelige energietarieven bij groepsaankopen.

In Vlaanderen loopt dit her en der en tijdelijk op provinciaal of gemeentelijk niveau.

Bij onze noorderburen wordt met ‘homestroom’ een omslag gemaakt. Je betaalt een jaarlijkse inleg van goed 50 € en in ruil daarvoor krijg je de scherpste tarieven voor gas- en elektriciteit. Eens je keuze gemaakt handelt ‘homestroom’ alles verder af. Voorlopig houden zij het bij ‘energie’ omdat hier de kwaliteit van het geleverde product gelijk is voor alle leveranciers.

Voor andere diensten en goederen ligt dit moeilijker.

Als kritische consument ben je niet langer een vervelende klant, maar speelt weer de macht van het verenigde getal. Je hoeft niet langer te stressen in een permanente staat van argwaan, overgeleverd aan initieel prachtige maar nadien dalende spaarrentes.
Wie minder alert is, kan op die manier beroep doen op die macht van het getal.
Het lijkt wel of we ons in de 21ste eeuw moeten voorbereiden op nieuwe coöperatieve idealen.

Verenigde consumenten

Wat let Testaankoop, vakbonden, ziekenfondsen om een vergelijkbaar systeem op te zetten, dat zich niet laat vangen in een web van dubieuze spaar- en financieringscontracten. Er is grote vraag bij hun leden - niet alleen de bejaarde - naar een betrouwbaar antwoord op de eenzame leegte van consumenten in een vrije markt. In een lege ruimte zijn we als individu overgeleverd aan demonen die onzekerheid en angst bespelen. Met een familie, een verleden en een toekomst staan we niet alleen.

Of zoals ooit iemand zei: ‘Consumenten aller landen, verenigt u!’

Er zouden heel wat jaren voorbijgaan en veel dingen gebeuren voor zij de betekenis zouden begrijpen van die ingewikkelde conversatie, die helder, begrijpelijk en juist was, zoals alle noodzakelijke waarheden waarvan men uit liefde tijdig afstand doet’. Almudena Grandes, Het ijzige hart

Jan Van Duppen

(De auteur is huisarts in Rotterdam en voormalig parlementslid voor SP.A -www.janvanduppen.be )

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Help de rijken

Ik had het op deze site vorig jaar over het Santiago-effect. Naar de oude visser (en de zee) van Ernest Hemingway. Die zag de vette vissen, die hij einde krachten had weten te vangen, langzaam weggevreten door de haaien, tot de graat overbleef. Zo zag je ook hoe bedrijven en bemiddelden, beleggers en zelfstandigen, de saneringsvoorstellen die hen meest pijn dreigden te doen, vakkundig onderuit wisten te halen. En dat blijven ze doen. Dat is een beweging in zes golven.

Gefileerde vis

Voorjaar 2011: de stemmingmakerij op gang trekken om vooral in de uitgaven te snijden , en dus de appetijt ontnemen om nieuwe inkomsten te zoeken bij hen die meest tegen een stootje kunnen. Overigens, dat zie je nu opnieuw op gang komen in de opwarmingsrondes voor de tweede saneringsronde.

Vanaf juli 2011: alle truken van de foor om het aanlokkelijke inkomstenluik in de formateursnota van Elio Di Rupo serieus uit te hollen. Met groot succes trouwens. Weg de belasting op grote vermogens. Weg de meerwaardebelasting op particulieren. Weg de extra belasting op de liquidatieboni bij de vereffening van de vennootschap. Weg met de hogere bijdragen voor het ondergefinancierde sociaal statuut van de zelfstandigen. Weg de ingreep op de definitief belaste inkomsten. En zelfs weg de taks op het vliegen in business seats.

Vanaf oktober-november 2011, toen min of meer duidelijk begon te worden wat er nog zat aan te komen, het geld in veiligheid laten brengen door de fiscale consultants. Je kon vanaf toen dure cursussen “hoe ontsnap ik aan de sanering?” volgen. À propos, cursussen die voor sommigen voor 50% gesubsidieerd worden door de Vlaamse overheid via de KMO-portefeuille!

Vanaf december 2011, toen de sanering in zijn definitieve plooi was gevallen, het gelobby achter de schermen om elk van de saneringsmaatregelen af te zwakken. En vervolgens voor de schermen de vakbonden van onverantwoordelijk groepsegoïsme te betichten als zij durven aanklagen dat de werknemers en sociale uitkeringstrekkers moeten opdraaien voor de factuur van het haaienwerk. Dat is de fase waar we nu in zitten.

Inmiddels is fase vijf al in volle voorbereiding, met behulp van dure advocaten (waarvan een deel zelf de wetgeving heeft geschreven): hetgeen aan saneringsmaatregelen overblijft trachten te torpederen via gerechtelijke procedures, tot en met het Grondwettelijk Hof.

En vergeet uiteraard niet fase zes: het hele instrumentarium van belastingontwijking, al dan niet middels belastingvlucht. Om het nog niet over fiscale fraude te hebben.

Zand in het raderwerk

Het moet zijn dat er wat zand is gekomen in het raderwerk. Dat meen je toch te moeten afleiden uit een opiniestuk van Paul Huybrechts en Romain Blockx (beiden van de Vlaamse Federatie van Beleggers) dat vorige week verscheen. Onder een behoorlijk intrigerende titel ‘De heksenjacht op de breedste schouders’ (even googlen). Raar, want nog in december konden ze hun enthousiasme, dat de beleggers er zo goed van af waren gekomen, nauwelijks bedwingen.

Fasen 1, 2 en 3 hadden dus voortreffelijk gewerkt. Maar kennelijk vrezen ze dat fasen 4 tot 6 niet het beoogde effect gaan sorteren. En voelen ze zich verplicht aan de noodrem te trekken, alarmerend voor het einde van de financiële privacy van de belegger.

Misschien vanuit een soort aanvoelen dat – om in visserstermen te blijven – hun haring niet meer braadt. Om twee redenen.

Ten eerste omdat de minder bemiddelden, die netjes hun (hoge) belastingen betalen, het niet meer nemen dat anderen systematisch de dans ontspringen. Ik heb dat, nu we volop aan het informeren zijn over de sanering en we mobiliseren voor 30 januari, nog nooit zo scherp aangevoeld. Werknemers en gerechtigden op sociale uitkeringen pikken het niet langer dat er bedrijven zijn die nauwelijks belastingen betalen. Dat sommigen hun zaakjes, zonder onderscheid tussen privé- en publieke zaakjes, weten onder te onderbrengen in een vennootschap, om aan bijdragen en belastingen te ontsnappen. En om dan vervolgens mee te dingen naar de steunmaatregelen voor lage (fiscale) inkomens. Dat urenlang hard labeur onnoemelijk veel zwaarder wordt belast dan slapend rijk worden door een nanoseconde speculatie. Dat belastingontwijking en –fraude nauwelijks een strobreed werd in de weg gelegd en integendeel werden gepamperd met fiscale amnestie. En dat wie desalniettemin tegen de lamp liep, er met schandalig lage minnelijke schikkingen van af kwam.

Al is er wellicht ook een tweede element in het geding: het aantreden van de tandem Vanackere-Crombez. Tussen alle treurnis van de afgelopen weken, is dat misschien nog het belangrijkste lichtpunt, dat er een sterk duo klaar staat om het jarenlange wanbeleid in de strijd tegen de fiscale fraude en – in mindere mate van wanbeleid– de bijdragefraude in de sociale zekerheid om te buigen. En van wie je ook moet erkennen dat ze hun start niet hebben gemist. Dat is de beleggers ook niet ontgaan. Meer nog, dat maakt hen behoorlijk ongerust. Zodat de straffe taal niet wordt geschuwd. Heksenjacht op de brede schouders, schending van de privacy van de beleggers, waar halen ze het?

Heksenjacht?

Iedereen vindt het normaal dat is geweten wie eigenaar is van een huis en een wagen. Van de inkomens uit arbeid is – te bestrijden sluikwerk daargelaten - de laatste euro gekend. En inzake de sociale fraude, is geen inspanning te klein om middels de Kruispuntbank alle inkomens van de gerechtigden op sociale uitkeringen in kaart te brengen, zeker ook hun woonsituatie. Binnenkort gaat men in dat kader zelfs de water- en elektriciteitsrekeningen controleren. Ook dat staat in het regeerakkoord, op last van de liberale partijen. Voor de “smalle” schouders is bescherming van de privacy kennelijk niet van tel. Maar o wee als de brede schouders inzage moeten geven in hun fortuinen. Dan heet dat ineens “heksenjacht”, dan wordt moord en brand geschreeuwd.

Een vermogenskadaster is onmisbaar als de belastingdienst moet achterhalen op welke inkomsten nu weinig of geen belastingen betaald worden. Met zo’n kadaster krijgt de overheid ook een krachtig wapen om fraude met roerende inkomsten te bestrijden. Via het register kan ze checken of de aangegeven inkomsten wel in verhouding staan tot wat iemand bezit. Een vermogenskadaster opmaken is echter onmogelijk zolang financiële instellingen een rookgordijn kunnen ophangen rond de vermogens van hun klanten.

Waarover gaat het? Beleggers die interesten genieten, moeten vanaf volgend jaar telkens aan hun bank melden of ze kiezen voor een roerende voorheffing van 21% of een voorheffing van 25%. De bijdrage zal niet van toepassing zijn op de verdiensten waarop een roerende voorheffing van 25% wordt ingehouden. Telkens iemand kiest voor het lagere tarief van 21%, moet de bank dat melden aan een centraal punt dat de Nationale Bank van België (NBB) zal beheren. Die zal alle gegevens inventariseren die het ontvangt van elk van de banken. De NBB geeft vervolgens de informatie door aan de fiscus, voorvan al wie meer dan 20.000 euro roerende inkomsten geniet. Op de inkomsten boven de 20.000 euro wordt dan een extra belasting geïnd van 4%.

Laat ons wel wezen, dat is dus waar de vertegenwoordigers van de Vlaamse beleggers zich zorgen over maken. Met privacy heeft dat weinig van doen.

Los van het principe, het gaat hier wel over “grote roerende vermogens”! Is een extra solidariteitsbijdrage van 4% op de inkomsten die onderworpen zijn aan een voorheffing van 21% nu echt te veel gevraagd? Als we een rendement nemen van 4%, wat tegenwoordig al behoorlijk is, dan spreken we hier over een roerend bezit van 500.000 euro. Anders uitgelegd: je moet die 4% solidariteitsbijdrage maar pas betalen als je roerend vermogen meer bedraagt dan 500.000 euro! Bovendien wordt de solidariteitsbijdrage van 4% enkel geheven op inkomsten uit obligatiefondsen, kasbons, staatsbons, termijnrekeningen en aandelen waarop een roerende voorheffing van 21% werd ingehouden. Maar niet op tak 21, tak 23, beveks en spaarrekeningen. Wat denk je dat de fiscale adviseurs (met 50% subsidie van de Vlaamse overheid, zie hoger) gaan suggereren eens de kaap van 20.000 euro interest is bereikt?

Dragende schouders

Huybrechts en Blockx haalden ook volgend argument tegen een vermogenskadaster en zijn gevolgen aan: “Wie zal er zich aan storen als men de breedste schouders nog een extra gewicht laat torsen? Alleen de bezitters van die brede schouders natuurlijk. Maar dat zijn dan wel diegenen die investeren in onze economie.”

Men wil hier dus aantonen dat als je de beleggers te zwaar belast, ze dan niet meer gaan investeren. Interesseert hen dat dan? Omdat aandeelhouders op hun aandeel graag winst met twee digits behalen, wordt er verkocht en gekocht, en worden bedrijven verplicht onrealistische hoge rendementen te halen. Om aan die hoge rendementen te geraken, verlaagt men zich tot methodes die de werknemers en de burgers schaden. Een van die methoden: lonen niet mee laten delen in de productiviteit- en prijsstijgingen. Ander methode: kostendalingen niet doorrekenen. Allemaal om het kapitaalrendement hoog te houden. Ondernemingen zouden moeten werken met investeringen en projecten waarvan de rendabiliteit bekeken wordt over vijf, tien, twintig jaar. Toch is de gemiddelde duur dat een beursgenoteerd aandeel bijgehouden wordt bijzonder kort geworden. Zo wisselen de bedrijven van de BEL 20 om de zeventien maanden van eigenaar.

Een ander klassiek dreigement als er nog maar aan een vermogenskadaster gedacht wordt, is dat van de kapitaalvlucht. Dit tegenargument komt nochtans almaar meer op los zand te staan door de Europese spaarrichtlijn en door de OESO-richtlijnen. En de ervaringen met een vermogensbelasting in Frankrijk, waar dit helemaal niet leidde tot een noemenswaardige kapitaalsvlucht, bieden al evenmin houvast aan de tegenstanders.

De belasting is weer lastig

Dat er een heksenjacht wordt gehouden op de breedste schouders, dat is nog nooit in het verleden gebeurd. En kom ons niet zeggen dat zulks nu wel het geval is. Een gezin met twee kinderen en een gemiddeld arbeidsinkomen dat geen inkomsten uit vermogen heeft , draagt 48% van het brutoloon bij via fiscale en sociale bijdragen. De buren die eenzelfde bruto-inkomen uit hun beleggingsportefeuille halen en geen arbeidsinkomen hebben, dragen 15% of 25% bij. Vanaf 2012 wordt dat 21% of 25%, dan nog met tal van uitzonderingen. En dan nog alleen wanneer men er in niet in slaagt die inkomens verborgen te houden voor de fiscus.

We kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat de tegenstanders van een vermogenskadaster vooral daar bekommerd om zijn. Kennelijk hebben de breedste schouders, de grote vermogens, zeer veel te verbergen. En beginnen ze te beseffen dat, nu Reynders weg is op Financiën, de kans toeneemt dat het uit is met dat schone liedje. Naar het schone liedje van Raymond Van Het Groenewoud: “Help de rijken” (“ze hebben het niet gemakkelijk”, “de belasting is weer lastig”).

Een schoon liedje dat al te lang werd gespeeld op kosten van de eerlijke belastingbetaler met smallere schouders. En als de brede schouders zoveel hebben te verbergen, dan weet de nieuwe regering meteen wat te doen bij de begrotingscontrole van februari 2012 om 2 à 3 miljard extra te vinden. In plaats van via een indexsprong een tweede keer de rekening te presenteren aan de werknemers en de gerechtigden op sociale uitkeringen, die totnogtoe wel correct hun deel betaalden.

Ook daarover gaat 30 januari.

Chris Serroyen

(De auteur is hoofd van de ACV-studiedienst.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Staken de jongeren mee op 30J?

25 / 01 / 2012
In onze versnelde mediamaatschappij worden we dagelijks geconfronteerd met monoliet-denken. Met uitspraken over dé werklozen, dé vakbonden, dé ouderen,… om er maar een paar te noemen.

Ze flitsen voorbij op het beeldscherm in homogene en anonieme massa’s, maar de meest ongeloofwaardige van dat soort stellingen, is toch wel het beeld dat vandaag geschetst wordt van dé jongeren.

Contra vakbonden?

Generation Y is het toverwoord. De generatie geboren na 1980 is dat, die eigenschappen krijgt toegedicht die positief of negatief geëvalueerd worden naargelang aan wie je de vraag stelt: ondernemend, spitstechnologisch onderlegd, goed geïnformeerd en sterk commercieel ingesteld volgens de ene; individualistisch, weinig sociaal voelend en op holle statussymbolen belust volgens de andere.

Met de staking van maandag 30 januari 2012 in het zicht lezen we de laatste weken ook meer en meer over hoe Generatie Y zich – volgens “de boekskes” dan toch – afzet tegen dé vakbonden.

Sommige media laten niet na dit beeld te versterken. Studenten protesteren omdat ze op 30 januari niet op hun examen geraken. Er verschijnen human interest verhalen over jongeren die uitleggen waarom ze niet staken. Jonge leeuwen getuigen in Humo over de generatieclash en hun argwaan tegenover de babyboomers die hun welvaart hebben vergokt.

Opnieuw zien we dezelfde tegenpolen in de reacties op deze berichten. De enen laten niet na te benadrukken hoe de verantwoordelijke, individualistisch ingestelde generatie Y geen boodschap meer heeft aan het “gedateerde” verhaal van de vakbonden. De anderen verguizen hen omwille van dezelfde reden, met een misprijzend en ontgoocheld “de jeugd van tegenwoordig”.

Generation Because staakt mee

Misschien ben ik de enige, maar ik zie in de jongeren van vandaag geen monolithisch blok. Of op zijn minst zie ik, als we dan toch stempels moeten uitdelen, naast het stereotiep van Generation Y ook een andere groep zich duidelijk aftekenen.

Laten we hen even dopen tot Generation Because. Jongeren die zich helemaal niet asociaal, individualistisch of anti-vakbond opstellen, maar die duidelijk goeie redenen zien om zich in te zetten om onze samenleving beter te maken voor iedereen.

En die redenen zijn er inderdaad. Het federale regeerakkoord staat op heel wat cruciale punten voor een ongetemperd verantwoordelijkheidsdiscours aan het adres van wie de eerste schuchtere stappen op onze arbeidsmarkt zet, aan wie op het punt staat die arbeidsmarkt te verlaten én aan wie daar tussenin zit.

Het gaat niet over jongeren die langer willen werken versus ouderen die dat niet willen. Het gaat over het afbreken van systemen als tijdskrediet, die de combinatie arbeid en gezin én het langer aan de slag blijven, zouden kunnen helpen mogelijk maken voor iedereen.

Het gaat niet om profitariaat versus hardwerkende Vlaming, maar wel over het almaar strenger controleren van jonge werkzoekenden, zonder dat daar de garantie van een job tegenover staat, waardoor vooral de zwaksten het zullen bekopen.

Het gaat niet over onbetaalbare pensioenen, maar wel over het blind optrekken van de lat voor iedereen, ongeacht de werkdruk, fysieke belasting of tout cours de mogelijkheden om langer te werken.

Jongeren in de vakbond

Daarom dus dat er ook een Generation Because opstaat:
• jonge delegees die zich met de nakende sociale verkiezingen kandidaat stellen om op te komen voor de rechten van hun collega’s,
• jonge militanten die overtuigd zijn van de noodzaak om actie te voeren tegen een blind besparingsbeleid,
• of gewoon jongeren die wel degelijk het nut inzien van onze acties en die op sociale netwerksites zich aansluiten bij onze actie “Staak mee op #30J” en veel genuanceerdere meningen verkondigen dan diegene die in de kranten worden opgepikt.

Maar of het nu eerder Generation Y of Generation Because is, uiteindelijk komt het erop neer dat het op zijn minst kortzichtig is om beladen labels te kleven op een volledige generatie. Meestal wordt dat trouwens ook gedaan om een identiteit of ideeën op te leggen (in de lijn van “we zullen zelf voor ons pensioen moeten zorgen”) en om de aandacht af te leiden van wat echt telt.

Of om het met een citaat van de Amerikaanse schrijver Kurt Vonnegut te zeggen: “Now you young twerps want a new name for your generation? Probably not, you just want jobs, right?”

Een citaat uit 1994 weliswaar, toen de jongeren van vandaag nog in korte broek op de schoolbanken zaten, maar daarom niet minder pertinent of actueel voor hun situatie. Net zoals het werk van de vakbonden trouwens.

Caroline Copers is algemeen secretaris van het Vlaams ABVV

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussiefourms; lees dus de regels -mod

Welke generatieclash?

24 / 01 / 2012
Jongeren werden in 2011 vaak als gemakzuchtig, egoïstisch en lui bestempeld. Want waar wachten ze op? De doembeelden worden dagelijks aan ons opgedrongen: het gaat de verkeerde kant uit, wees dus maar boos en bang!

“De luie babyboomers”

Angst kan een trigger zijn om in actie te komen, maar angst polariseert en is vaak een open deur voor populisme. De angst die ons nu wordt opgedrongen is er een van falende banken die landen de afgrond induwen. Met een vergrijzingsspook dat ons in een wurggreep houdt en ons tot de laatste druppel zal uitpersen. Een groep jongeren die zichzelf millennials noemt springt op de kar van het vergrijzingsspook en stuurt aan op een clash tussen de generaties. Bij sommigen slaat de idee van zo’n clash wel aan. Zoals het blijkbaar hoort voor engagement is het iets zeer concreets: een jaar geleden waren alle problemen de schuld van luie Walen, nu zijn het de luie babyboomers.

Anders gaan werken

Dat we ons moeten voorbereiden op de vergrijzing staat buiten kijf. Maar dat staat voor mij ver van een pleidooi van sociale afbraak. De babyboomers zijn niet allemaal de professor De Grauwe’s van deze wereld die het liefst blijven werken tot hun 80ste . Als we weten dat een niet-gediplomeerde tot 15 jaar minder gezonde levensjaren te leven heeft dan een hoger opgeleide, kunnen we die twee dan over dezelfde kam scheren? We moeten er in de eerste plaats voor zorgen dat mensen de kans krijgen om hun loopbaan evenwichtig uit te bouwen. Moeten we langer werken, dan moeten we vooral anders werken. Er moet meer tijd zijn voor het opnemen van zorgtaken, om op adem te komen, om vooral niet uitgeblust te geraken. Je jeugd en je pensioen mogen niet de enige periodes zijn waarin je kan genieten van het leven.

Waarom zouden wij meestappen in het pessimisme van de millennials? De idee dat onze generatie het slechter zal hebben dan de vorige getuigt van een volledig gebrek aan ambitie.

Een nieuwe generatie is opgestaan

Het zullen de jongere generaties zijn die met de oplossingen moeten komen. Als 2011, zoals Time-magazine schrijft, het jaar is waarin een nieuwe generatie opstond en protesteerde, zal 2012 het jaar zijn waarin die generatie de basis legt voor een heel nieuw hoofdstuk. De basis van een ecologische samenleving. Van onderuit, van in uw straat, uw gemeente, uw stad, zullen zij de bouwstenen leggen die ons toelaten om het radicaal anders te gaan doen.

We moeten ons voorbereiden op de vergroening van de steden. Een generatie jongeren staat klaar om in geïnvesteerd te worden. Die jongeren moeten alle kansen krijgen op kwaliteitsvol onderwijs, op een job, om mobiel te zijn. Op betaalbaar en kwaliteitsvol wonen in een aangename buurt.

We moeten ons als ecologisten verzetten tegen de uitbesteding van het politieke beleid. Alsof technocraten een crisis beter kunnen aanpakken dan politici. De drang om werkelijk alles uitgerekend te krijgen, om met cijfers exact te kunnen aantonen welke gevolgen een beslissing heeft, is eigenlijk ontstellend naïef. Er is geen blauwdruk. We moeten het lef hebben om onze voorstellen te realiseren. Groen en Ecolo hebben bewezen dat ecologisten beter rond een onderhandelingstafel zitten dan ernaast. Als nieuwjaarswens roep ik alle jongeren die zich willen engageren voor een toekomst zonder spoken en doemscenario’s op om het lef, de energie en de passie te hebben om hun ideeën voor een solidaire, duurzame en rechtvaardige toekomst in de praktijk om te zetten.

Never depend on governments or institutions to solve any problem, all social change comes from the passion of individuals!” Margaret Mead.

Bart Dhondt

(De auteur is voorzitter Jong Groen.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussiefourms; lees dus de regels -mod

De Arabische lente en de les van Irak

Een jaar na het uitbreken van de zogenaamde Arabische lente vertoont het midden oosten een verbijsterende aanblik van allesoverheersende chaos terwijl op sommige plekken zelfs complete burgeroorlogen woeden die vreemd genoeg door niemand als zodanig worden betiteld. Terwijl van Tunesië tot Bahrein de vlammen van onrust en geweld uitsloegen werd in Irak door de Verenigde Staten vrijwel geruisloos de volledige terugtrekking voltooid van hun militaire apparaat. In het voor de Arabische regio turbulente jaar 2011 werd de berichtgeving over Irak ondergesneeuwd door ontwikkelingen in buurlanden die door velen in het westen werden geïnterpreteerd als democratische openingen.

Het is precies in deze contekst dat het grote belang van net Irak moet worden geplaatst omdat vele Arabische opinieleiders de oorsprong van de Arabische revolte van 2011 terugtraceren tot de omverwerping van het regime van de Irakese president Saddam Hoessein in 2003 dat vervolgens vervangen werd door een parlementaire democratie. De stand opmakend van de huidige situatie in Irak krijgt daardoor de functie van een politieke barometer die ons aanwijzingen kan geven over wat we in andere landen van de regio kunnen verwachten.

Democratisch proces verlamd

Terwijl de Amerikanen afgelopen jaar overal in Irak met veel officiëel vertoon hun vlaggen streken begonnen allerlei groeperingen in Irak alvast het vuur van de sektarische strijd op te stoken. Een dodelijke coctail van religieuze en ethnische passies, op sinistere wijze verweven met politieke ambities waarbij de democratisch gekozen Irakese politici eerder olie op dit gevaarlijke sektarische vuur lijken te gooien dan dat ze trachten de vlammen ervan te doven. Het democratisch proces in Bagdad lijkt verlamd en in de afwezigheid hiervan worden politieke geschillen om de macht wederom uitgevochten op straat. Deze situatie wordt nog verergerd doordat de Arabische lente in allerlei buurlanden sluimerende religieuze en ethnische geschillen aan de oppervlakte heeft gebracht waarmee zich het Irakese scenario lijkt te herhalen van ná 2003.

Gevaarlijk politiek vacuüm

In 2003 verdween het regime van Saddam Hoessein dat in essentie onder het vernis van de seculiere Baath-ideologie een soennitisch minderheidsregime was geweest dat de Irakese staat volkomen gecentraliseerd had omdat dit de absolute macht en controle van het regime garandeerde. Met het wegvallen van dit regime ontstond een gevaarlijk politiek vacuüm en werd de beerput geopend van onderlinge religieus-ethnische rivaliteit en haat. In een dergelijke situatie dient het leger in hoogste staat van paraatheid te worden gebracht maar de V.S. maakten de kapitale fout het Irakese leger net te ontbinden waardoor er ook nogeens een veiligheidsvacuüm ontstond dat al snel werd opgevuld door gewapende milities die elkaar op leven en dood bestreden. Wat tussen 2004 en 2007 ontaardde in een complete burgeroorlog die de in 2005 gekozen regering van Nuri al-Maliki volkomen vleugellam maakte.

Deze burgeroorlog werd uiteindelijk niet door Amerikaans vernuft beëindigd maar doordat de soennitische stammen in het noorden en oosten van Irak zelf al-Qaida begonnen te bestrijden die in hun soennitische regio’s een islamitisch emiraat had uitgeroepen. De soennitische stammen richtten de zogeheten “ Sahwas” op en begonnen met de Amerikanen samen te werken in hun strijd tegen al-Qaida en in het kader van het programma “ Zonen van Irak” werden honderdduizenden soennitische jongeren gerecruteerd die in ruil hiervoor van de V.S. maandelijks een financiële toelage kregen met de belofte dat ze na de burgeroorlog zouden worden geïntegreerd in het Irakese leger. De rust aan het noordelijke front stelde vervolgens de regering in Bagdad in staat om zelf militair af te rekenen met gewapende sjiietische milities in het zuiden waaronder het al-Mahdi leger van de radicale sjiietische geestelijke Muqtada al-Sadr.

Geen ontwapening van de milities

In deze jaren ontstond er binnen de Irakese democratie een gevaarlijke tendens die de verdere toekomst ervan zou bepalen. De gewapende milities, die elkaar tijdens de burgeroorlog genadeloos hadden afgeslacht leverden hun wapens niet in maar borgen ze tijdelijk op waarbij deze milities zichzelf ná de burgeroorlog transformeerden tot politieke partijen om in het parlement op verbale wijze hun oude strijd om de macht voort te zetten. Al deze jaren was de bange vraag of deze politici daadwerkelijk tot democratische inzichten waren gekomen of dat ze zich slechts “ democratisch gedroegen” onder druk van de zware Amerikaanse militaire presentie om na het vertrek van de laatste Amerikaanse soldaat het parlement weer onmiddellijk te verruilen voor de gewapende strijd.

Onmogelijkheid tot compromis

De soennitische minderheid had in 2005 de parlementsverkiezingen geboycot maar tijdens de verkiezingen van 2010 participeerden ze massaal wat terecht werd geïnterpreteerd als een stem van hoop en vertrouwen in de prille Irakese democratie. De verkiezingen werden echter gevolgd door een tien maanden durende politieke patstelling waarbij de diverse facties het maar niet eens konden worden over de nieuw te formeren regering. De gevoelige demografische situatie in Irak maakte het onmogelijk dat de winnende partijen samen een meerderheidsregering zouden vormen waarbij de andere partijen in de oppositiebanken zouden verdwijnen. Naar het voorbeeld van Libanon diende er een “ nationale” regering te worden gesmeed waarin alle partijen waren vertegenwoordigd wat van deze regering reeds bij haar geboorte een dood kindje maakte omdat de deelnemende partijen er totaal verschillende agenda’s op na hielden die compromissen sluiten praktisch onmogelijk maakten. Met als gevolg dat alle factoren, die in 2004 hadden geleid tot een burgeroorlog weer opdoken met thans als enige verschil de totale afwezigheid van Amerikaanse troepen.

Machtsconcentratie

De hele situatie werd nog verergerd door het gedrag van de Irakese minister-president Nuri al-Maliki die tevens de portefeuilles van Defensie, Veiligheid en Binnenlandse Zaken beheert wat een gevaarlijke concentratie van macht vormt in de handen van één man omdat hierdoor zowel leger, veiligheidsdiensten als politie onder de directe controle staan van de sjiietische al-Maliki. Deze al-Maliki is recentelijk een ware heksenjacht begonnen tegen hooggeplaatste soennitische politici waarvan een aantal naar de Koerdische autonome provincie zijn gevlucht om berechting in Bagdad te voorkomen. Sindsdien boycotten soennitische politici de parlementszittingen en in deze politieke impasse is het geweld op straat weer opgelaaid. Drie soennitische provincies hebben reeds aangekondigd autonomie na te streven naar het voorbeeld van Irakees Koerdistan terwijl er in enkele olierijke sjiietische provincies in het zuiden over gelijke stappen wordt nagedacht.

Irak veranderde na 2003 in een democratie waarin vele politici geen democraten maar voormalige militieleden waren. Het hieruit voortvloeiende politieke machtspel verlamde de staat omdat de nieuwe machthebbers de neiging bleken te hebben het gedrag van voormalig dictator Saddam Hoessein te imiteren. Diens dictatoriale regime bleek in staat Irak met harde hand bijelkaar te houden maar de democratische openheid na 2003 leidde tot een politieke impasse die weleens de voorbode zou kunnen zijn van een geleidelijke desintegratie van de Irakese staat. Omdat democratie de aanwezigheid veronderstelt van de moeilijk definieerbare “ democratische gezindte” bij afwezigheid van welke vrije verkiezingen resulteren in de paradoxale situatie van parlementen zonder democraten. Het is de les van Irak voor de rest van de regio.

Martin Janssen

(De auteur is arabist en woont in Damascus.)

éAllen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Rechter Garzon in de beklaagdenbank

Dinsdag begint voor het Hooggerechtshof in Madrid het proces van het onderzoek naar de slachtoffers van het Franquisme door de Spaanse onderzoeksrechter Baltasar Garzón. In 2010 werd hij geschorst omdat hij welbewust zijn jurisdictie zou hebben geschonden. Er wordt hem verweten onderzoek te doen naar de executie of verdwijning van meer dan honderdduizend burgers tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-39) of in de eerste jaren van de dictatuur van generaal Francisco Franco. De Amnestiewet van 1977 moest alle misdaden tegen de mensheid onder het tapijt vegen.

Vorig jaar toonden jonge archeologen mij een massagraf uit 1936 in Calzada de Oropese, een dorp op 150 km ten westen van Madrid. “Hier werd gefusilleerd zoals men bomen in een bos omhakt”, waren de woorden die mij te binnen schoten. De zin kwam van Maurice de Wilde in zijn BRT reeks ‘De Nieuwe Orde’ van begin jaren ‘80. De woorden werden ingelezen op zwart-wit beelden van een veroordeelde enkele minuten voor zijn executie. Die enkele seconden hebben een diepe indruk op mij gemaakt. Door Maurice de Wilde associeer ik terechtstellingen nu met bomen.

Genadeschoten

Dertig jaar na die uitzending zag ik voor het eerst stoffelijke resten van slachtoffers van die burgeroorlog en besefte heel snel dat die vreselijke bladzijde van de Spaanse geschiedenis nog steeds niet werd omgedraaid. Eén van archeologen in Oropese vertelde mij: “Verbrijzelde schedels en verwrongen kogels zijn bewijzen van genadeschoten.” Ik dacht: “Precies bewijsmateriaal van een misdaad”– wanneer je zoiets vind bel je meteen de politie.

Maar voor zoiets bel je in Spanje de politie niet. Hier komt een onderzoeksrechter in de beklaagdenbank terecht wanneer hij teveel interesse toont voor graven zoals die van Oropese.

De amnestiewet

Een vreemde situatie. Ik dacht dat Franco in 1975 gestorven was? Dat klopt en tegelijkertijd krijg je van de meeste Spaanse politici te horen dat de overgang van dictatuur naar democratie een succesverhaal was. In de meeste kranten lees je dat de Spaanse democratie niet onder moet doen voor alle andere Europese democratieën.

De transitie verliep zonder al te veel gerommel in de politieke, economische en financiële instellingen – en ook in de pers. Spanje was er in geslaagd om een compromis te bereiken en niet meer over het verleden te praten.

Er werd beslist te zwijgen over de enorme schending van mensenrechten, in de meeste gevallen gepleegd door opstandelingen tegen een democratisch systeem: de Spaanse Republiek. Het compromis wou aantonen dat beide kampen in deze burgeroorlog evenveel verantwoordelijkheid voor de gebeurde feiten droegen. Dit was de basis van de Amnestiewet van 1977 waarbij alle misdaden werden vergeten en vergeven. Men geloofde dat die wet nodig was voor een zachte transitie en enige weg naar een voorbeeldige democratie.

Ongelijke partners

Maar de transitie verliep niet voorbeeldig net zoals de democratie die daarop volgde. De retour naar de monarchie was door Franco zorgvuldig voorbereid. De overgang werd aldus gedomineerd door conservatieve krachten die het land opzadelden met een erfenis uit het vorige regime. Deze transitie was geen pact tussen twee partijen die op gelijkwaardige basis onderhandelen. De linkse politici kwamen recht uit de gevangenis, de clandestiniteit of de ballingschap. Er heerste een zeer gespannen politiek klimaat en veel mensen vreesden voor een nieuwe burgeroorlog. Dit waren de jaren van de Koude Oorlog en gelukkig maar dat de transitie zonder bloedvergieten verliep. Links is er niet in geslaagd om de dictatuur helemaal te vernietigen. Het gevolg is dat de hele conservatieve wereld uit de Franco dictatuur vandaag verder leeft, niet alleen in de staatsstructuren, maar ook in de financiële en culturele instellingen en in de media.

Misdaden tegen de mensheid

Het onderzoek naar schendingen van de mensenrechten is volgens het internationaal recht een verplichting voor de Spaanse staat, met inbegrip van de rechterlijke macht.
De mensenrechtenorganisatie Amnesty International vindt het uiterst verontrustend dat onderzoek naar de misdaden van gedwongen verdwijningen tijdens de burgeroorlog en het regime van Franco vertragingen oplopen. Eén van hun lopende onderzoeken - waarvan de conclusies dit jaar gepubliceerd worden - zou aantonen dat ten minste vier processen van onderzoek naar deze misdaden door het Spaanse gerecht verwaarloosd werden. Volgens de mensenrechtenorganisatie zou het lot van deze processen afhangen van de uitspraak van het Hooggerechtshof in de zaak Garzón.

Het zal op het Hooggerechtshof weinig indruk maken, maar het ‘Comité voor de Mensenrechten’ en het ‘Comité tegen Foltering’ van de Verenigde Naties hebben opgemerkt dat Spanje haar amnestiewet ongedaan moet maken. Gedwongen verdwijning en foltering zijn misdaden tegen de menselijkheid die niet verjaren en waarvoor geen amnestie wordt toegepast

Beroepsverbod

Heel waarschijnlijk gaat het Hooggerechtshof de enige rechter veroordelen die het waagde van de Spaanse staat te eisen dat ze verdwenen personen zoekt, de waarheid probeert te achterhalen en schadevergoeding vraagt voor slachtoffers en de familieleden voor massale schendingen van de mensenrechten.

In wat voor democratie straft men een rechter die de mensen wil eren die in de democratie geloofden?

Als Garzón schuldig wordt bevonden krijgt hij een beroepsverbod wat neerkomt op het einde van zijn juridische carrière. Het zou ook een bevestiging zijn van de neerbuigende houding van het Hooggerechtshof ten aanzien van de zaak van de verdwenen personen - én het internationaal recht.

Tot slot wil ik nog even terugkomen op de vondst van het massagraf van Calzada de Oropese. Ik was erbij toen de archeologen de menselijke resten opgroeven. Ik was niet alleen - aan de rand van het graf stond een bejaarde man, die mij snikkend een beschrijving gaf van zijn vader die in 1936 verdween.
Later zijn de archeologen erin geslaagd om alle stoffelijke resten van het massagraf te identificeren. Helaas hebben ze de bejaarde man moeten teleurstellen: zijn vader lag er niet bij.

Als Garzón veroordeeld wordt, is dat voor duizenden familieleden van verdwenen personen een verloren kans op een beetje gerechtigheid, iets wat we in een democratie toch mogen verwachten.

Sven Tuytens

(De auteur is correspondent in Spanje.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Overlastboetes: terug naar de tijd van de champetter en Flurk

23 / 01 / 2012

Minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet stelt voor de Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS) uit te breiden tot minderjarigen vanaf 14 jaar, wat in principe in het regeerakkoord voorzien is in de “strijd tegen antisociaal gedrag” . De GAS-wetgeving is een beetje de PMD van justitie. Het Parket regelt immers zijn eigen werklast, en wat het niet kan (of niet wil) ophalen, moeten de gemeenten maar recycleren. Tot 2005 bood het arsenaal ‘overtredingen’ in het Strafwetboek nochtans alle mogelijkheden tot optreden via de Politierechtbank, of het nu over taartgooien, sluitstorten, beledigen of nachtlawaai ging.

Maar sinds de politierechters in 1995 wegtrokken uit de kantons, was ook bij deze nieuwe verkeersspecialisten in de verre arrondissementele zetels nog slechts weinig animo voor het kleine veldwerk: verwaarlozing van wijk en buren als collateral damage van de grote Auto-oorlog op straat.

Een lappendeken van middeleeuwse Costuymen

Met eigen ‘Sanctieambtenaren’ vullen de gemeenten het lokale strafrecht sindsdien in met een stijgende diversiteit die langzamerhand aan de middeleeuwse ‘Costuymen’ (gewoonten) doet denken. Google je locatie in, en zoek online de laatste versie van je Gemeentewet op, om voor geen verrassing te staan.

Volgens de intieme politieke agenda van de Burgemeester en de uiteraard democratische meerderheid, worden via GAS boetes ook hangjongeren aangepakt, foutparkeerders of vroege zwemmers beboet, en 100-dagen-fuivers betutteld. Ook een ‘Occupy Antwerp’ bijeenkomst (29 oktober 2011) werd er op getrakteerd. De cataloog is onuitputtelijk: bijna een vorm van politiek amusement, want stoerdoenerij rekent altijd op applaus.

Het resultaat van dit nieuw soort ‘verbeelding aan de macht’ is een pseudo-wetgevend lappendeken waarin alle rechtszekerheid zoek is. Een huisnummer in de verkeerde kleur in Lebbeke, niet toegelaten ijsberenduik in Bredene, of een vetstift op zak in Roeselare (om het over het verboden ‘fluitje’ niet te hebben). Wat ze steeds meer gemeen hebben is het anekdotische: uit de rubriek “Ook dàt nog” gegrepen.

En dan de tarieven: spuwen op straat in St. Gillis een derde van de boete in St. Jans Molenbeek. Soms ligt een gemeentegrens aan de overkant van de straat…

De oude champetter en Flurk

Uiteraard is dit nog geen stedelijke politiestaat: het lijkt wel op een 19-eeuwse champetter-aanpak. Maar dié beboette nog effectief, terwijl de mooi gestemde 100 Verboden bijna systematisch dode letter blijven, als illustratie van een ontluisterende onmacht van politiediensten, die in de praktijk wel 101 àndere prioriteiten hebben. Het resultaat is een bijna hilarische ongeloofwaardigheid, en die verspilling van wetgeving besmet vervolgens het juridisch systeem stoomafwaarts: wie het kleine niet respecteert, vindt op termijn inderdaad het grote ook niets meer weerd.

Daarenboven wees de Antwerpse substituut Tom Van Den Hende (De Juristenkrant 10 06 2009) er al fijntjes op dat de GAS – wetgeving niet eens slachtoffervriendelijk is, om het over de onder tijdsdruk bijna systematisch genegeerde rechten van de verdediging niet te hebben (vonnis Politierechtbank Brugge inzake Sanctieambtenaar Oostende, Rechtskundig Weekblad 2009/10, 334).

Een simultane vaststelling is dat eigenlijk systematisch jongeren in het vizier raken: allemaal plots ‘Flurk’. Pierre Joxe, minister van Binnenlandse zaken onder Mitterand wijst in zijn pas verschenen boek over jeugdcriminaliteit (‘Pas de quartier ?’) op de psychologische dimensie van de wetgevende hetze tegenover minderjarigen. Recent noemde ik het nog ‘interditis’, de obsessionele verbiedingsdrift van een verzuurde generatie: niet toevallig die van de (groot-)ouders van diezelfde minderjarigen. Schuldbesef en schuldverschuiving ?

Nog ernstiger is dat deze aanpak volledig dwars staat op alle indicaties voor een pedagogisch model. Er wordt niet eens nagedacht over de analyse van het probleem, en alternatieve methodes: de eerste reflex wordt nu altijd de financiële sanctie, want die wordt gelijkgesteld met een supersnelle ‘oplossing’ an sich. Door straffen uit te vaardigen, sust de Wetgever het eigen geweten, en wordt een kiespubliek in slaap gewiegd. Tot dit wakker schiet van een nieuw probleem, waaraan een verse boete gekoppeld wordt: simplisme troef, maar altijd een nieuwe kaart achter de hand.

De wanbetalers van straat spuiten ?

Tot een paar dagen geleden kon je nog opmerken dat die boete in de helft van de gevallen toch niet betaald werd (tot 86% in bepaalde arrondissementen), wat een nieuwe onrechtvaardigheid in het leven riep. Daar wil de bevoegde minister van Justitie nu terecht een stokje voor steken, door de nieuwe inning via de personenbelasting. Evenwel verschuift dit het probleem, want nu zullen er alvast nog evenveel wanbetalers van boete overblijven, als er niet-betalers van belastingen zijn.

En ja, je vindt die laatsten inderdaad vaak bij de zwakkere bevolkingsgroepen, waar armoede en ellende traditie geworden zijn, en zelfs werk geen uitzicht meer biedt op comfort: eenoudergezinnen – vrouwen eerst - zwoegen hier weer op kop .

Daarenboven gaat het hier toch om bitter jonge minderjarigen, zodat in de praktijk de rekening bij hun ouder(s) terecht komt. Misschien is dàt de onuitgesproken bedoeling: ouders bestraffen voor wat kinderen mispeuteren, als “vermoeden van slechte opvoeding”. De door de minister aangekondigde ‘bemiddeling’ zal nauwelijks iets voorstellen, want daar is geen budget voor, en de Justitiehuizen zijn nu al overbelast. Misschien is de volgende stap dan wel het afschaffen van hun kinderbijslag, zoals voor spijbelaars. En de infernale spiraal van verpaupering versnelt opnieuw.

Jean-Pierre Rosenczweig, voorzitter van de jeugdrechtbank van Bobigny, bij Parijs pleit op zijn blog ‘Droits des enfants’ al jaren voor een preventieve en positieve aanpak, die het gezin centraal stelt, herwaardeert en begeleidt. Door sociale uitsluiting aan te pakken kan op termijn enorm bespaard worden in uitgaven voor veiligheid, of wat er nu als ‘gevoel’ voor door moet gaan, en nep blijft.

Wat blijft in het huidig opbod dan nog over behalve het letterlijk waterkanon om het “vuil van de straat te spuiten”, zoals Sarkozy een paar jaar geleden het discours gretig aanzwengelde. De politieke logica is duidelijk. Die steeds agressievere stigmatisering van een bevolkingsgroep zal leiden tot frustratie en confrontatie, zoals recent in Engeland. En nieuwe argumenten opleveren…

Wetgevende wanorde

De verwarring tussen ‘opvoeden’ en het ‘handhaven van ‘openbare orde’ leidt tot wetgevende wanorde. De GAS-boetes voor minderjarigen zijn een ontwijking van een betere aanpak van specifiek onderwijs en jeugdrecht, maar dat laatste vergt investeringen voor een hechtere samenleving. Het kinderlijk neo-conservatisme beperkt zich tot een kortzichtige kassa-kassa-benadering. Dit is geen beleid: het is een gebrek eraan, en riskeert ons maatschappelijk duur te staan te komen.

GAS: gebakken lucht met ontploffingsgevaar.

Jan Nolf

( De auteur was bijna 25 jaar vrederechter, en schrijft bedenkingen over justitie op zijn Law Blog www.JustWatch.be )

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels -mod

Besparingen bij De Lijn ten koste van gepensioneerden?

Het onverantwoord beleid van de bankiers kost hopen geld ook aan de Vlaamse regering. Die denkt er aan te besparen bij De Lijn. Eén van haar ideeën is het gratis abonnement voor gepensioneerden, de Omnipas 65+, af te schaffen. Dat vind ik zeer asociaal, onecologisch en oneconomisch. De Lijn kan op slimmere manieren besparen en daardoor haar dienstverlening uitbreiden. En vooral: er zijn besparingen die ook het milieu en onze leefkwaliteit ten goede komen.

Asociaal

Sommigen gaan een stuk mee in de redenering van de Vlaamse regering. Ze pleiten er voor een bijdrage voor bus en tram aan de gepensioneerden te vragen naar draagkracht. Op het eerste gezicht lijkt dat niet onredelijk, rechtvaardig zelfs. Maar dat is het niet, als je het hele plaatje bekijkt.

De Belgische pensioenen behoren tot de laagste van Europa. Een kwart van de gepensioneerden heeft een inkomen dat onder de Europese armoedegrens ligt. De regering Di Rupo gaat dat helemaal niet aanpakken. In afwachting dat daaraan serieus wat gedaan wordt is het goed dat gepensioneerden diverse tegemoetkomingen krijgen om het beperkte inkomen wat op te krikken. Eén daarvan is het gratis vervoer met tram en bus.

Er zijn natuurlijk gepensioneerden met een groot inkomen. De individuele pensioentoezeggingen voor zelfstandige bedrijfsleiders bijvoorbeeld. Ze kunnen die laten uitbetalen aan hun eigen (management)vennootschappen. Dan hoeven ze daar zelfs geen belastingen op te betalen. Maar die mensen maken allicht weinig gebruik van gratis kaart voor De Lijn. Overigens mogen zij van mij ook een Omnipas 65+ krijgen, als hun inkomen maar rechtvaardig wordt belast.

Een extra steuntje

Ook als je maar af en toe de tram of de bus neemt zie je dat gepensioneerden dankbaar gebruik maken van hun pas. “Het is goed dat ze eens aan ons denken. Wij hebben toch een heel leven gewerkt,” zei één van hen tegen mij. Een gewezen loontrekker uit de privé heeft maximaal een pensioen van zo’ 1600 € per maand. De meesten hebben veel minder. Mogen ze geen extra steuntje krijgen?

Heel wat gepensioneerden hebben al af te rekenen met energiearmoede. Door de afschaffing van hun pas zal er voor velen nog vervoersarmoede bijkomen. Dat betekent minder ontspanning, minder cultuur, minder contacten met andere mensen. Meer afhankelijkheid van derden, vereenzaming dus. Is dat het “warme Vlaanderen” van minister-president Kris Peeters?

En zal het niet meer aan administratie kosten om de echt hoge pensioenen, van gewezen parlementsleden bijvoorbeeld, uit de groep 65plussers te halen? Is het niet beter de al te hoge pensioenen af te toppen?

Niet ecologisch, niet economisch

Voor veel gepensioneerden zou een combinatie van de Omnipas, het goedkope seniorenticket van de NMBS en Autodelen met Cambio of Autopia heel interessant zijn. Ze hoeven geen dure auto meer, omdat ze maar weinig autokilometers afleggen. Ik zeg “zou”, omdat heel wat ouderen die berekening nog niet gemaakt hebben en met een eigen auto blijven rijden. Waar ik zeker van ben: gepensioneerden met een auto gaan die veel meer gebruiken, als ze moeten betalen voor De Lijn.

Dus zullen we er nog meer vervuilende autokilometers worden gereden. Meer luchtvervuiling. En dus meer astma en andere ademhalingsziekten, vooral bij ouderen én jonge kinderen. En dus ook meer kosten voor onze ziekteverzekering. En meer problemen om de Europese norm inzake luchtkwaliteit te halen. En dus Europese boetes.
Meer gepensioneerden op de wegen betekent meer files en dus meer tijdverlies, stress en kosten voor werknemers en bedrijven. De sociale en ecologische maatregel van behoud van de Omnipas 65+ is dus ook economisch voordelig.

Slimme maatregelen

In mijn stad Antwerpen sukkelen trams en bussen van het ene rode licht naar het andere. Een tram met tot tweehonderd reizigers aan boord moet wachten op auto’s met daarin gemiddeld 1,2 mensen.
Jaarlijks gaan miljoenen euro’s overheidsgeld verloren door bussen en trams die zich vastrijden in het verkeer. Allicht een veelvoud van de kostprijs van de Omnipas.

Twintig jaar geleden pleitte ik in het Vlaams parlement al voor actieve beïnvloeding van de verkeerslichten. Uitzonderlijk gaf de toenmalige minister van Openbare Werken en Verkeer Ward Beysen me gelijk. Maar noch hij, noch zijn opvolgers hebben daar echt werk van gemaakt.
Ik mag hen niet alleen met de vinger wijzen. Ook steden en gemeenten hebben hun zeg bij de afstelling van de verkeerslichten. Onder andere in Keulen en Maastricht wordt bewezen dat het kan. Kan de hogere overheid geen maximale wachttijd voor trams en bussen aan verkeerslichten reglementair vastleggen?

Steden en gemeenten kunnen bushaltes laten aanleggen met een uitstulping op de rijweg. Na een stop in een haltehaven moeten bussen nu terug invoegen. Met dikwijls veel tijdverlies.
Vrije busbanen en trams in eigen bedding zorgen ook voor een betere doorstroming. Ook daar hebben steden en gemeenten hun zeg. De Lijn kan er op aandringen. Met klem.

Drie slimme maatregelen. Op dezelfde tijd doen chauffeurs en bestuurders meer kilometers met hun rollend materieel. Dat rendeert dus beter. Die besparing moet echter aangewend worden om meer te investeren in De Lijn. Niet minder. Anders komt Vlaanderen nooit aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. En blijven vele ouderen en kinderen veroordeeld tot de puffertjes.

Openbaar vervoer is bovendien pas echt aantrekkelijk als de reistijd kan wedijveren met die van het privé-vervoer. Dus brengen zo’n maatregelen extra reizigers aan en extra inkomsten.

Nog slimmer

In plaats van te besparen op De Lijn kan de Vlaamse regering investeringen in nieuwe wegen bevriezen. Geen Oosterweelverbinding in Antwerpen dus. De kosten daarvoor gaan van studie naar studie steeds in stijgende lijn en zullen de Vlaamse begroting nog vele jaren belasten. Hier ligt een miljardenbesparing voor het grijpen. Waarom het niet simpel houden en de tol voor de te weinig gebruikte Liefkenshoektunnel afschaffen? Dat zou veel fileleed op de Antwerpse ring wegnemen. En minder fijn stof en lawaai veroorzaken. Wat een geschenk voor de Antwerpenaars.

Kortom

Het lijkt me slimmer, socialer en ecologischer om te besparen op nieuwe wegeninfrastructuur, te investeren in een aantrekkelijk en comfortabel openbaar vervoer en het, in het algemeen, karige Belgische pensioen te blijven aanvullen met een Omnipass65+. Het is een manier om de erkentelijkheid van onze samenleving uit te drukken tegenover de generatie die het land her op gebouwd heeft na de ravage van de Tweede Wereldoorlog. Het past echt niet dat gepensioneerden moeten opdraaien voor de dwaasheden van bankiers. Die zelf niets inleveren, maar hun exorbitante bonussen blijven opstrijken.

Hugo Van Dienderen

(De auteur isgewezen volksvertegenwoordiger voor Groen.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Minder show, meer visie aub

22 / 01 / 2012

,,Alle leven is oplossen van problemen.”
Karel Popper, politiek filosoof (1902-1994)

,,Het leven is een strijd.” Het was één van de favoriete uitspraken van mijn grootmoeder, vooral op zondagnamiddag als bij koffie met porto en gebak het wel en wee van de familie en van de hele lokale gemeenschap besproken werd. Ongeluk, rouw, ziekte, geldgebrek, niets werd onbesproken gelaten. Geen leed ook werd weggemoffeld of toegedekt. Maar uiteindelijk leek ook niets echt onoverkomelijk. Er was altijd wel een uitweg, met veel geduld soms, maar altijd met de hulp van elkaar en van hierboven.

Ook vandaag leven we niet in de perfecte wereld, zijn we niet aldoor gelukkig en vrezen we vaak meer dan we hopen. Maar een andere mindset wordt ons aangepraat. Bij de jaarwisseling konden we er niet aan ontkomen. Gelukkig worden is de nieuwe levensopdracht. Geluksprofessoren analyseren de succesfactoren en meten de geluksvooruitgang. Gelukscoaches bieden ons hun diensten aan, indien gewenst zelfs met dagelijkse online tips. En nog niet zo lang geleden was er bij ons een populair minister die het departement voor Bruto Nationaal Geluk wilde installeren.

Echt geluk is niet afdwingbaar

Natuurlijk is de politieke omgeving waarin mensen leven en kinderen opgroeiend bepalend voor hun levenskwaliteit. De rechtsstaat met waarborgen voor persoonlijke vrijheden, de politieke democratie met inspraak en participatie, de openbare veiligheid, de sociale zekerheid met opvang bij tegenslag en ziekte. Deze politieke verwezenlijkingen maken een beter leven voor velen mogelijk. Maar de echte levenskunst, dé kunst om een goed en gelukkig leven te leiden, kan nooit door de politiek opgelegd worden. Of om het met Karl Popper te zeggen : ,,De poging om langs politieke weg de hemel op aarde te verwezenlijken, brengt steeds de hel voort.”

Geen overlevingsstrijd

In de Westerse wereld is de dagelijkse strijd al lang geen overlevingsstrijd meer. We staan niet op met de vraag of er wel voldoende voedsel zal zijn om de dag door te komen en we moeten ons ook niet afvragen waar we ’s avonds zullen slapen. Voor nog te veel mensen op deze planeet zijn dit de grote levensvragen. Zonder concreet antwoord is er voor hen geen leven meer. Onze strijd is geen overlevingsstrijd meer. Wij worden uitgedaagd door een andere dagelijkse strijd : de strijd voor een zinvol bestaan, die een strijd is tegen verveling en zinledigheid.

Als we geluk enkel nastreven door alle verdriet, alle pijn, alle inspanning en strijd te bannen, nemen we ook alle zin en richting weg.

Goede of gelukkige mensen?

Vroeger werden de opvoedingsidealen samengevat in de vraag : hoe worden we goede mensen? Nu klinkt de eenzijdige vraag : hoe worden we gelukkige mensen? Wat is een goed leven? Wat is een gelukkig leven? Goede mensen zijn niet altijd gelukkige mensen en gelukkige mensen zijn niet altijd goede mensen. Maar goede mensen met empathie, met rechtvaardigheidsgevoel, met zin voor samenwerking kunnen inspireren, perspectief bieden en ons op de juiste weg zetten. Gelukkige mensen zijn aangenaam gezelschap en veelal meelevend, maar bieden niet altijd inspiratie op onze levensweg.

Mobiliserende visie

De wereld is niet perfect, ook onze samenleving niet en zeker ons politiek bestel niet. Een beschaafde strijd tussen opvattingen is wezenlijk voor de politiek. Maar dan moet wel de zin en betekenis van elke opvatting uitgeklaard worden. Politiek mag geen theater zijn en politici geen vedetten. Regeringsleiders moeten richting aangeven, geen show opvoeren, maar de betekenis van hun politieke actie uitleggen.

Op dit moment ontbreekt een mobiliserend visie die mensen overtuigt van de waarde van de Europese samenwerking, van de noodzaak om de gemeenschappelijke schuldencrisis te boven te komen en van de plicht om onze verzorgingsstaat te hervormen tot een duurzaam socio-economisch model. ,,Als de visie ontbreekt, verwildert het volk”, staat in het boek Spreuken te lezen. Als het land binnenkort door een nationale vakbondsactie wordt plat gelegd, is dat dan door de vrees dat elke materiële achteruitgang ons diep ongelukkig zou maken of door het gebrek aan inspirerend leiderschap in moeilijke tijden.
Hopelijk moeten beide vragen niet positief beantwoorden worden.

Mia De Schamphelaere

(De auteur is eresenator.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Zorgenkinderen

21 / 01 / 2012

Het was ons weer het weekje wel. Sinds de jaarwisseling is de politiek er in dit verkiezingsjaar nog niet in geslaagd om een deftige indruk te maken bij de burgers. Meer nog, de Wetstraat maakt er een potje van. Hopelijk is de toon daarmee niet gezet voor de rest van het jaar.

Woonkrediet

Eerst was er de discussie over het woonkrediet, de overheidsondersteuning van hypothecaire leningen. Een kakofonie, waarin de verwijten tussen partijen en beleidsniveaus over en weer gingen. Achteraf, zo valt te horen, was dat voor niets nodig: Vlaanderen krijgt de middelen om het federaal beleid voor lopende leningen (afgesloten voor de formele bevoegdheidsoverdracht, wellicht 2014) verder te zetten en kan voor nieuwe leningen een eigen beleid ontwikkelen. Tenminste, indien Vlaanderen daarvoor genoeg middelen doorgestort krijgt. Er zijn er veel die daar niet zeker van zijn. Als goede huisvader moet Peeters er over waken dat zijn (volgende?) regering daarvoor straks genoeg middelen krijgt. Het is niet uitgesloten dat er geen consensus zal zijn over hoeveel dat er precies zijn, ‘voldoende middelen’. Experts werken alvast met andere bedragen dan diegene van het vlinderakkoord.

Zorgenkindje

Voorlopig is die zesde staatshervorming geen verhaal dat enthousiast maakt. Meer nog, het lijkt een zorgenkindje dat de komende jaren nog vaak voor onrust en ruzie zal zorgen. En dan moeten de politiek heel gevoelige, symbolische kwesties nog komen. Maar die zijn beter geregeld. De regeling over het gerechtelijk en politiek BHV-arrondissement, bijvoorbeeld, is duidelijker uitgewerkt. Al zal daar ook nog een slag geleverd worden. Toch lijken die politique politicienne kwesties met meer zorg behandeld te zijn, of minstens duidelijker uitgepraat, dan sommige punten die vooral de dorpsstraat wakker houden. Dat het vlinderakkoord, en het hele federale regeerakkoord, ondanks de lange formatie blijkbaar ook nogal wat haastwerk bevat, blijkt vooral daar. Denk aan de verwarring over de bedrijfswagens. Of aan de gemene, verwerpelijke manier waarop met de fiscale korting voor groene renovaties is omgesprongen. En nu het gedoe over het hypothecair krediet. Hopelijk komen dergelijke discussies er niet meer over de benoeming van de burgemeesters in de Vlaamse rand. Maar het is duidelijk dat de uitvoering van de zesde staatshervorming nog vaak voor deining kan zorgen, en dus een potentieel destabiliserend zorgenkind blijft.

De moeder van alle verkiezingen

Er bestaat een redelijke kans dat in de aanloop naar de moeder der verkiezing van juni 2014 – die zich blijkbaar nu al nestelen in vele Wetstraathoofden – de zesde staatshervorming een belangrijk twistpunt wordt. Het is eens wat anders. Deze keer niet (enkel?) over een toekomstige staatshervorming, maar over de vorige. Een discussie over de vraag wie er verantwoordelijk voor is, dat de vorige misschien tot beleid leidt waar de Vlaming weinig of geen verbetering in ziet. En dus bv. een debat tussen de regionale kandidaten en de federale (tussen en subtiel binnen partijen), over de vraag of Vlaanderen het lopende beleid inzake woonkrediet wel kon verder zetten, omdat daarvoor wel/niet voldoende federale middelen voor overgekomen zijn. Als burgers ontevreden zijn over de gang van zaken zullen regionalen naar de federalen wijzen, en omgekeerd. Geen samenwerkingsfederalisme maar misschien een paraplufederalisme, een gematigde versie van het vechtfederalisme. Gematigd omdat binnen partijen men toch hoffelijk moet blijven.

Hoffelijkheid

Hoewel. Dat hoffelijke valt wat tegen, dezer dagen. Dat Philippe Muyters maar niet uit de moeilijkheden raakt is het resultaat van een interne afrekening. Want elke bestemmeling van de bewuste ‘is gelogen ’-mail is (ex-)N-VA. Lekken naar oppositie, en zo naar een krant, en de schade is bijzonder groot. Uiteraard moet oppositie en pers dit nieuws naar buiten brengen. Wat er staat is niet min: niet enkel de verwijten naar de meerderheid en oppositie, die getuigen van een gebrek aan politiek fatsoen en respect, maar ten gronde de suggestie dat de minister het parlement voorloog over de begroting. En dus liegt tegen het volk. Als dat het geval is, kan er geen seconde twijfel bestaan over de vraag of hij moet opstappen.

Dom en ongepast

De stijl van deze mails getuigen van een zekere mentaliteit op het kabinet die niet passend is voor de bijzonder belangrijke rol en verantwoordelijkheid van dit orgaan in de Belgische politiek. Bovendien zijn mails van kabinetsleden altijd in theorie beleidsrelevant. Er bestaan dus in zekere zin geen ‘interne mails’, een hoogst onveilig communicatiemiddel. De mails waren dom maar ook ongepast. Het geeft de indruk dat op het betrokken kabinet mensen werken die er niet thuis horen. Dat N-VA als beleidspartij, een domein waarop ze zich in de Vlaamse regering zeer wil bewijzen, tekort schiet.

Federaal is N-VA een partij die het slecht beleid van anderen contesteert, regionaal wil N-VA bewijzen dat ze meer dan dat is maar ook klaar is om zelf beleid te voeren. Het Muyters-incident is daarvoor geen goede zaak. Dat heeft o.a. te maken met de groeipijnen van N-VA: te snel gegroeid en dus niet altijd de tijd om de juiste mensen te vinden, die ook de tijd niet krijgen om te groeien in hun rol. Want het is niet omdat een kabinetsmedewerker gepassioneerd is en vurig voor zijn partij werkt, dat hij daarom ook een geschikt kabinetsmedewerker is.

N-VA beschadigd

N-VA komt beschadigd uit deze Muyters-kwestie. De betrokken minister nog meer. Hij krijgt de beeldvorming van brokkenman niet afgeschud. Hij mag blijven, maar zijn politiek gewicht is afgenomen. Hij mag blijven omdat N-VA hem in dit verkiezingsjaar niet kan vervangen, dat zou toegeven zijn aan de critici. En negatief afstralen op Bart De Wever, die zoals alle andere voorzitters persoonlijk verantwoordelijk is voor de ministerkeuze. Hij mag blijven omdat Peeters II ook eerder Lieten liet zitten, en alle partijen gelijk zijn. Hij mag blijven omdat Peeters II vooral stabiel wil overkomen. Maar hij mag vooral blijven omdat ondanks alles, ondanks ook het feit dat dit erger is dan de mail van Lieten, de ministers persoonlijk nog geen beroepsfout kan bewezen worden. Zijn kabinet moet dringend aangepakt worden, en de tijd dat de minister en zijn kabinet ondeelbaar waren (denk aan de brieven van topkabinetsmedewerkers van toenmalig minister van binnenlandse zaken Patrick Dewael) ligt helaas achter ons.

Maar als de oppositie niet kan bewijzen dat Muyters effectief loog, dan gaat hij vrijuit. Want als de ministers van Peeters II hem niet laten vallen, dan de fracties ook niet (in die volgorde). Als in het debat in het Vlaams Parlement evenwel blijkt dat de smiley na ‘is gelogen’ geschrapt mag worden, dreigt voor Muyters vooralsnog de uitgang en voor N-VA de afgang. Maar de kans is klein dat dat zonneklaar kan aangetoond worden. Niet enkel is ‘liegen’ een relatief begrip, het is ook lastig om aan te tonen wat iemand wist en niet vertelde. En dat Muyters’ kabinet het wist is in deze dus onvoldoende, want er wordt blijkbaar een onderscheid gemaakt tussen de minister en zijn kabinet. Een gevaarlijke evolutie voor het concept ministeriële verantwoordelijkheid. Opstappen is daar maar een smalle, enge interpretatie van, maar de verwijdering tussen minister en zijn kabinet is geen gezonde ontwikkeling.

Hypocrisie

Het gaat daarbij om veel meer dan N-VA. N-VA is natuurlijk ook geen gilde van koorknapen, ze schuwen de harde taal en verwijten niet. Maar op andere kabinetten worden ook wel eens harde dingen gezegd, alleen moet vermeden worden dat ze via mail bekend raken. De politiek is zoals vele werelden altijd een beetje hypocriet. Als de critici van Muyters zich volgende week als bloeddorstige haaien gedragen die vooral de man tackelen zal dat vooral voor hen een afgang zijn. Het komt er dus op aan een debat op niveau te voeren, over de kern van de zaak. Als opgeblazen politici vooral groot willen zijn door de ander kleiner te maken, doen ze zichzelf noch de democratie daar goed mee.

Carl Devos

(De auteur is politoloog aan de Gentse universiteit.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Schaamrood

20 / 01 / 2012
Hoewel de Europese Commissie onze regering de wacht aanzegde omwille van de overschatting van de impact van bepaalde maatregelen in haar begroting, neemt ze er voorlopig vrede mee omdat de uitgaven ten belope van 1.2 mia euro worden bevroren tot aan de begrotingscontrole in februari. De neerwaarts bijgestelde economische groeiprognoses zullen onze regering op dat moment echter dwingen tot een bijsturing. Tenminste als ze haar eigen engagement naar Europa toe, namelijk het begrotingstekort van ons land onder de 2.8% houden, wil hard maken. En als ze wil ontsnappen aan de sancties die sinds de versterking van het Europees toezicht kunnen opgelegd worden aan lidstaten die hun openbare financiën niet op orde brengen.

Boven onze stand

Dit alles zorgt voor levendige discussies over “de machtsgreep van de Europese Commissie” die als “ondemocratisch orgaan” België wil “slachtofferen” om te tonen dat het haar menens is. Ze leiden echter de aandacht af van de essentie. We weten namelijk al jaren dat we boven onze stand leven. Ongeveer elke onderzoeksinstantie in binnen- en buitenland kwam op dat vlak tot dezelfde conclusie: er is dringend nood aan structurele ingrepen in ons uitgavenpatroon als we de welvaart van ons land willen veiligstellen. Ons uitgavenpatroon is onhoudbaar.

Hebben we als land niet de plicht ons ten aanzien van de andere Europese lidstaten - wier lot door de muntunie onlosmakelijk met het onze verbonden is - op te stellen als een betrouwbare en verantwoordelijke partner? Bovendien haalt de Europese Commissie haar legitimiteit in deze uit het feit dat onze regering zich zelf heeft geëngageerd om in dat kader een aantal afspraken na te leven. Maar veel belangrijker nog is dat we inderdaad niet voor Europa orde op zake moeten stellen. We hadden het al veel eerder moeten doen voor onszelf. Uit respect voor onszelf. Schröder stroopte in Duitsland al in 2001 de mouwen op om de moeilijke en weinig populaire hervormingen door te voeren. Vandaag nemen de markten Duitsland niet in het vizier. Nederland en Denemarken hervormden hun arbeidsmarkt ook reeds het voorbije decennium en worden vandaag evenmin geviseerd door de rating agencies .

Te lang gewacht

Trouwens, hebben we geen lessen geleerd uit het verleden? België heeft in het verleden tot driemaal toe te lang gewacht om bij te sturen. Ten tijde van de oliecrisis in 1974-1975 hebben de vrijdagstakingen geleid tot de val van de Regering Tindemans en tot het niet doorvoeren van de nodige bijsturingen. Gevolg: devaluatie van de Belgische frank met 8,5 % in 1982, of nog een algehele lineaire verarming van de bevolking met 8,5 %!

De ontsporing van de loonkosten met 8 % tussen 1989 en 1993, en dus een keldering van de concurrentiekracht van onze economie en jobverlies. Gevolg: invoering van de gezonheidsindex en de wet op de loonnorm vanaf 1996!

Ten derde, het generatiepact 2005 werd onder vakbondsdreiging sterk beperkt qua impact. Gevolg: drastischere afbouw van de brugpensioenen en het optrekken van de pensioenleeftijd met 2 jaar gespreid over relatief korte periode, met name 2013-2015. Kortom, hoe langer men de bijsturingen uitstelt, hoe harder de boomerang achteraf terugkomt.

Externe druk

Dat we nu geconfronteerd worden met externe druk om onze zaken op orde te stellen is gênant. Maar de bittere smaak proberen door te spoelen met een pleidooi voor een status quo is niet de oplossing. We hebben alles in handen om de fundamenten van onze sociaal-economische onderbouw te renoveren om er opnieuw sociale en economische welvaart op te bouwen.

Laten we naar het voorbeeld van onze buurlanden nu eindelijk ook door de zure appel bijten en ons huishouden verder op orde zetten. Dan besparen we ons de gêne bij een volgende blik in de spiegel die Europa en de financiële markten ons zullen voorhouden.

Pieter Timmermans
Directeur-generaal van het Verbond van Belgische Ondernemingen

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees de gewijzigde regels - mod

Quo Vadis VRT?

Hoewel voorlopig nog een ‘roddel’, haalde het bericht meteen de kranten: de VRT gaat (misschien) verhuizen! Het gebouw tot op de grond versleten, zouden de omroepmedewerkers hun biezen pakken om elders onderdak te zoeken. Vilvoorde en Mechelen werpen zich alvast op als ideale thuishaven.

Vanuit communicatieoogpunt maakt het niet uit waar een omroepgebouw staat. Gemedieerde communicatie betekent net dat je de boodschap (in dit geval de programma’s en diensten van de VRT) kan ontvangen ongeacht waar je als ontvanger (het publiek) bent en, belangrijker nog, ongeacht waar de zender (de VRT) zich bevindt. Je hoeft niet te weten waar het omroepgebouw precies staat of er in de buurt te zijn om naar deredactie.be te kunnen surfen. Op een iets filosofischer niveau is dat net het geheim achter het succes van het omroepprincipe: een zender komt ‘vanuit het niets’ in ieders privésfeer, alsof die deel is van ieders leven en gezin.

De symboliek

Dat neemt niet weg dat August Reyerslaan 52 in Brussel een legendarisch adres is dat veel meer is dan de identificatie van een bepaald gebouw in een bepaalde stad. Het is deel van het publieke leven, al is het maar omdat het de burgers op de hoogte houdt van wat er gebeurt op die andere betekenisvolle locatie: ‘de’ Wetstraat 16. Het adres huisvest bovendien zowel fysiek als symbolisch een rijk cultuurpatrimonium.

Als ankerpunt voor het collectief geheugen is het daarenboven deel van ieders privésfeer: de herinneringen aan (het naspelen van) de jeugdseries of aan Reddy De Mey bij de Herald of Free Entreprise, maar ook de jaarlijkse hoop-tegen-beter-weten-in tijdens het Eurovisiesongfestvial of het vertrouwde ‘goedenavond beste kijkers’ van omroepster Andrea Croonenberghs: ze zijn allemaal terug te leiden tot het VRT gebouw. En dat gebouw staat niet per toeval in Brussel.

De voorgeschiedenis

Toen de publieke omroep in 1930 van start ging als Belgisch unitair instituut met een Nederlandstalige (NIR) en een Franstalige (INR) afdeling, was de hoofdstad de vanzelfspekende locatie. Voor de directeur generaal van het NIR, de Flamingant en KVS stichter Jan Boon, was het ook de erkenning van de culturele aanwezigheid van de Vlaming in Brussel. De omroep kreeg een op radiovlak geavanceerd en architecturaal prachtige locatie, de Flagey, naar een ontwerp van Joseph Diongre.

In de loop der tijd begon het gebouw uit z’n voegen te barsten. Zo moesten de televisiepioniers uitwijken naar een rijwoning om de hoek, die ook snel te klein was. Oude foto’s tonen secretaresses die onder hun bureau moesten kruipen om de deur te bereiken en Nonkel Bob die, bij gebrek aan beter, zijn grote pakken fanmail in de badkuip van het huis bewaarde.

Er moest dan ook naar nieuwe huisvesting worden uitgekeken. Hoewel de omroepwet van 1960 voorzag in de oprichting van twee autonome uitzendinstituten (BRT en RTB), werd er beslist om samen onderdak te zoeken op een nieuw te bouwen locatie. De symbolische betekenis van de Vlaamse aanwezigheid in de Belgische hoofdstad werd gekoppeld aan praktische overwegingen: gemeenschappelijke logistieke diensten, de nabijheid van het politieke leven, de praktische uitvalsbasis voor reportages ten velde. En zo kwam de publieke omroep aan de August Reyerslaan terecht.

De opties

Maar ook op deze locatie zit nu sleet. Ontworpen voor een sterk-hiërarchische organisatie en met een structuur van lange, smalle gangen met kantoren, is het gebouw niet aangepast aan het crossmediale en het organisatiedenken van vandaag. Het is bovendien simpelweg versleten.

Verbouwen is en blijft een optie. Zo werd een hele vleugel grondig aangepakt en een eigentijdse omgeving gecreeerd voor de geïntegreerde nieuwsdienst: convergentie en synergie vertaald in de infrastructuur. Maar dit was een langzame en dure onderneming.

Bovendien is zo’n verbouwing een lijdensweg. Wie al eens nieuwe ramen heeft geïnstalleerd, een muurtje uitgeklopt, of de electriciteit vernieuwt, weet dat het niet leuk wonen is in een huis-in-transitie. Overal stof en lawaai, en de dagelijkse routine helemaal ontregeld Stel je even voor: een uitzending van Peters en Pichal met de klopboor op de achtergrond, een programma-aankondiging van Saartje Van den Driesen met het stof van de stukadoor nog in de haren, of een zevenuurjournaal met vertraging omdat de electricien per ongeluk een verkeerde draad heeft doorgeknipt.

Verhuizen wordt dan plots een aanlokkelijke optie. Maar naar waar dan?

De huishoudster

Hoewel met grote impact, worden dergelijke keuzes niet altijd even weldoordacht gemaakt. Zo is de locatie van de Nederlandse publieke omroepen in Hilversum aanvankelijk terug te brengen tot het feit dat de Nederlandse Seintoestellen Fabriek daar toevallig was gevestigd. Vroege plannen om de – toen nog enkel radio- - omroep naar de symbolisch geschiktere hoofdstad Amsterdam te verhuizen, werden gedwarsboomd door radiopionier en Avro-oprichter Willem Vogt. Niet uit ideologische, symbolische of omroeplogistieke redenen, maar omdat zijn huishoudster weigerde te verhuizen.

De kans dat de kuisvrouw van Sandra De Preter – of de tuinman van Studio Brussel – een doorslaggevende factor wordt in de relocatie van de VRT, is eerder klein. Ook de aanwezigheid in Brussel lijkt geen punt (meer) te zijn. Vlaanderen heeft blijkbaar al afscheid genomen van de hoofdstad. Waar dan wel en waarom?

De centen

Als we de argumenten van Vilvoorde en Mechelen overlopen, is de omroep voor de steden vooral een economisch interessante buit om in de wacht te slepen. De duizenden VRT-werknemers die de stad en haar middenstand dagelijks aandoen en er een deel van hun loon achterlaten of er misschien zelfs komen wonen, de satellieten en toeleverbedrijven die zich zullen vestigen, de naambekendheid bij het brede publiek – een droom voor citymarketeers en de stadskist .

Natuurlijk hopen Vilvoorde en Mechelen ook dat het imago van het instituut VRT op hun stad zal afgeven. De burgemeester van Mechelen ziet de aanwezigheid van de omroep wellicht als een troef in de titelstrijd om ‘Hoofdstad van Vlaanderen’. Vilvoorde hoopt met het toevoegen van de publieke omroep naast de andere mediabedrijven op haar grondgebied ‘het Hilversum van Vlaanderen’ te worden. De vraag is echter of geschiedenis en symbolische betekenis zich zo gemakkelijk laten verhuizen. Is de locatie na al die tijd geen onlosmakelijk en dus onverhuisbaar deel van het brand VRT? De toekomst zal het uitwijzen.

Hilde Van den Bulck
(De auteur doceert communicatiewetenschappen aan de Antwerpse universiteit)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees de gewijzigde regels - mod

‘Houden wat je hebt’ als nieuwe vooruitgangsgedachte

Onderzoek van socioloog Mark Elchardus toont aan dat in onze verzorgingsstaat laaggeschoolden de afgelopen decennia zich op hetzelfde gezondheidsniveau hebben geplaatst van hooggeschoolden, dat ze in sociaaleconomische kwesties er beter in slagen aan te sluiten bij het gemiddelde van de bevolking en dat ze meer tevreden zijn met hun eigen leven dan laaggeschoolden in minder ontwikkelde verzorgingsstaten. Het is de fantastische en historische verdienste van onze gezondheidszorg.

Die is voor de babyboomgeneratie heel gul geweest. Maar kunnen die babyboomers dezelfde emancipatie verwachten voor hun kinderen? Het voelt alvast aan van niet. Zeker nu met de economische crisis verder geknabbeld wordt aan sociale verworvenheden.

‘Houden wat je hebt’ het nieuwe devies

Het vooruitgangsdenken dat we vanaf de industriële revolutie hebben omarmd en dat ons veel rijkdom heeft opgeleverd, lijkt op zijn laatste benen te lopen. Ouders vrezen dat hun kinderen niet de sprong zullen maken die zij wel maakten. Ook de huidige generatie twintigers en dertigers - met voldoende middelen voor (en gepaaid met) de nieuwste iphone, maar niet voor een aantal basisbehoeften zoals de aankoop van een eigen woning - ziet haar toekomst somber in. Ze verwacht een samenleving die harder en meer prestatiegericht is, minder sociale zekerheid en pensioen biedt en minder gelijkheid garandeert in de beschikbaarheid van gezondheid en zorg dan nu het geval is.

De onderklasse ziet haar reeds precaire welvaart verder bedreigd door de economische crisis, nieuwkomers, globalisering, enzovoort. Maar ook bij de middenklasse groeit de ongerustheid. Bij hen luidt stilaan misschien wel een ander devies: ‘behouden wat verworven is’. Het eigen huis, de auto, een citytrip met Pasen en naar de Spaanse costa in de zomer.

Het doet mensen politiek (anders) ageren. Mensen stemmen steeds minder op de klassieke partijen, de architecten die de verzorgingsstaat jarenlang, blok per blok, hebben opgebouwd. Anti- en anderspolitieke partijen pluggen verstandig in op de legitieme emotie van mensen dat hun kinderen het minder goed zullen hebben. Ze houden de mainstream partijen er verantwoordelijk voor. Het is een discours dat verkoopt als zoete broodjes.

Dit alles heeft vooral een verpletterende impact op de partijen die van verheffing en vooruitgang hun electoraal gewin hebben gemaakt. Zij worden net op dat punt, hun core business, afgerekend. Het is voor hen zaak hun narratief aan te passen en de voorgangsgedachte te herijken. Deze partijen moeten daarbij durven toegeven dat ze de voorbije jaren de maatschappelijke evoluties minder goed hebben gelezen. De vooruitgangsgedachte brokkelde zienderogen af, bij Jan met de pet groeide een negatieve appreciatie van wat komen moet, maar dat leken ze niet te beseffen.

Naar een herijking van de vooruitgangsgedachte

In tijden van crisis worden politieke beslissingen genomen in een soort verdedigingsmodus: we moeten langer werken om het pensioensysteem staande te houden, er moet aan de sociale zekerheid worden geschaafd om ze betaalbaar te houden, asielbeleid mag het bestaande sociale weefsel niet te veel aantasten, enzovoort. Het zorgt er automatisch voor dat de maatschappelijke grondstroom wat angstiger wordt.

Toch is het niettemin essentieel dat de vooruitgangsgedachte een drijvende kracht blijft in onze samenleving. Die gedachte moet dan wel worden herijkt. Dat kan, bijvoorbeeld, op de pijlers geluk, immateriële en duurzame groei, solidariteit, rechtvaardigheid, financiële zekerheid en onderwijs. In onze zoektocht naar een alternatieve invulling van de vooruitgangsgedachte moeten we onvermijdelijk rekening houden met ecologische en menselijke beperkingen. De materiële groei is eindig.

In de toekomst geen drie wagens meer voor de poort (een voor elk kind). We moeten onszelf verplichten af te stappen van welvaart uitgedrukt in bnp-waarden. Zulke mentaliteitswijziging is niet eenvoudig te bewerkstelligen, laat staan dat er politiek gemakkelijk mee gescoord kan worden. Toch zal het geluksthema steeds meer opborrelen om mensen hoop te geven en om te kunnen verklaren dat we het in de toekomst materieel met wat minder zullen moeten doen.

De politiek moet niet de pretentie hebben om de mensen tot in de haarvaten van de samenleving gelukkig te willen maken (dat moet ieder individu zelf weten), maar het is het wel haar taak daarvoor de rechtvaardigheidsvoorwaarden te scheppen. Daarom, bijvoorbeeld, moeten we goed opletten met het hakken in tijdskredietformules. Het systeem van loopbaanonderbreking valoriseert (in het latere pensioen, met de gelijkgestelde periodes) immateriële verdiensten en is broodnodig, zeker als we met zijn allen langer gaan werken.

Tegelijkertijd is langer werken een zaak van solidariteit. Het is maatschappelijk niet ‘rechtvaardig’ om op 52 op brugpensioen te gaan, en dan nog 35 jaar van een staatspensioen te genieten. We moeten naar een meer kansrijke (met nadruk op het eerste, en niet het tweede, deel van het woord) samenleving, waar kinderen alle scholingskansen krijgen – onderwijs is nog steeds dé emancipatorische kracht – en waar volwassenen kunnen terugvallen op een goed werkende sociale zekerheid als het misloopt (pech, ziekte).

Angst voor de toekomst drijft mensen in een egelstelling

De consensus dat collectieve voorzieningen ervoor zorgden dat grote groepen mensen erop vooruit gingen, is dus niet meer. ‘Houden wat je hebt’ lijkt de 21ste eeuwse versie van de vooruitgangsgedachte van de laatste vijftig jaar. De burger heeft vandaag een minder positief toekomstbeeld en daarin schuilt wel degelijk een gevaar. Het voedt het gevoel van machteloosheid en dempt daardoor de kansen op een verbetering van de samenleving.

Angst voor de toekomst drijft mensen in een egelstelling, verscherpt tegenstellingen en sluit deuren. Het verengt onze geest en versterkt irrationeel denken. Om opnieuw vooruit te gaan heeft een gemeenschap een vertrouwenwekkend, collectief project nodig. Optimisme geeft zuurstof aan een samenleving. Om uit de crisis te geraken, moeten we helemaal geen afstand nemen van het moderne geloof in de vooruitgang. We moeten het alleen herijken.

Wim Vermeersch

(De auteur is redacteur bij het sociaaldemocratische blad Sampol (Samenleving en politiek). )

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforurms; lees dus de regels - mod

Geen lijk uit de kast met de nieuwe financieringswet

19 / 01 / 2012

In een recent uitgebrachte studie(a) analyseren we de nieuwe financieringswet. We betreuren dat onze studie in een groot deel van de berichtgeving gekaderd werd in de
vraag of “N-VA nu gelijk had met hun kritiek”. Daarover gaat de studie niet. Het is op zich al erg dat de vraag in Terzake aan Wouter Beke “of er nu nog lijken uit de kast zullen vallen” haaks staat op de conclusie van onze studie. Maar minstens even erg is dat ze een “framing” verraadt die het moeilijk, zoniet onmogelijk maakt resultaten van onderzoek te populariseren en bruikbaar te maken voor het publiek debat.

Daarvoor zien we twee redenen. Ten eerste worden we niet geholpen door media die alles in het keurslijf van “winnaar-verliezer” willen proppen. We hebben het hier dan niet over de budgettaire winst of verliesrekening voor de diverse overheden. Wel over de voorstelling, in sommige media niet zonder enig leedvermaak, dat er door onze studie plots iemand ‘ongelijk’ zou hebben. Om het met het adagium van de Financial Times te zeggen: wij hebben deze analyse gemaakt ‘without fear, and without favour’. Het is écht een verschraling van het publiek debat de resultaten voor te stellen als de uitslag van een voetbalmatch.

Geen sluitende antwoorden

Ten tweede hebben we weer eens onderschat hoe moeilijk het is om duidelijk te maken dat wetenschappers geen sluitende antwoorden geven en ook niet moeten geven. Wij hebben niet voorspeld dat Vlaanderen verlies zal leiden met de nieuwe fi nancieringswet. We hebben geprobeerd bloot te leggen wat de belangrijke parameters zijn die de toekomstige inkomstenstromen zullen bepalen. Daar helderheid over scheppen is van groot belang voor de politieke en publieke discussie buiten het gesloten cenakel van de onderhandelaars. We kennen de aversie voor nuance in een dergelijk politiek gevoelig debat. Maar dat kan nooit een reden zijn om de nuance zelf achterwege te laten. We doen hier nog een poging.

In de studie beantwoorden we twee vragen:
(1) Biedt de nieuwe financieringswet een antwoord op de vooraf geformuleerde (politieke) verzuchtingen?
(2) Zo ja, worden de onvermijdelijke verliezen en winsten volgend uit het nieuwe systeem bij alle betrokken partijen beperkt tot een minimum? Ons antwoord op beide vragen is positief. We vinden de hervorming dan ook een goede hervorming. We hebben de eerste vraag verder uitgespit als volgt. Nam de fiscale autonomie toe? Ja, en fors. Voor de Gewesten is de fiscale autonomie toegenomen van 8,8 miljard naar 19,6 miljard €. Van de totale inkomsten voor de Gewesten is nu 74,5% afkomstig uit eigen belastingen, daar waar dat voorheen 43% bedroeg.

Is er (nog) perverse en/of excessieve solidariteit? Neen. Ten eerste werd de ‘ontwikkelingsval’ - waarbij een armere regio er geen belang zou bij hebben om het beter te doen - uit de nieuwe
financieringswet verwijderd. En voor hen die vonden dat het solidariteitsmechanisme te genereus was: het is nu beperkter in omvang. Berekend voor 2012 daalt de solidariteitsterm
voor Wallonië van 241 € per hoofd naar 190 €; voor Brussel van 295 € naar 232 €. Op dit vlak nam de responsabilisering wel degelijk toe.

Evenwicht tussen ‘juste retour’ en behoeften

Vanwaar dan onze vaststelling dat de responsabilisering licht is gedaald? Dat komt omdat responsabilisering soms ook uitgedrukt wordt als de hoeveelheid regionale inkomsten die afhangen van de economische prestaties van een regio (de ‘juste retour’). We benadrukken in onze studie dat die vorm van responsabilisering al hoog lag in de oude financieringswet (62.5%). We gaan dus niet akkoord (vroeger niet, en nu nog niet) met de stelling dat het oude systeem onvoldoende responsabiliseerde. In ieder geval, in de nieuwe financieringswet verhoogt het overgehevelde arbeidsmarktbeleid de zo gedefi nieerde responsabilisering sterk wanneer men het uitdrukt in miljarden. Alleen in procent uitgedrukt daalt de responsabilisering licht.

Dat komt omdat het grootste stuk van de nieuwe overgedragen bevoegdheden naar de Gemeenschappen gaat. Die worden niet gefinancierd op basis van economische prestaties zoals de Gewesten, maar hoofdzakelijk op basis van bevolkingsaantallen. We leggen in onze tekst met nadruk uit waarom we vinden dat er grenzen zijn aan de ‘juste retour’ benadering. We geven goede redenen waarom niet alles verdeeld moet worden met de sleutel van de personenbelasting, en hebben daarom altijd gepleit dat het evenwicht tussen ‘juste retour’ en ‘behoeften’ behouden blijft. We vinden het positief dat dit zo blijft in de nieuwe financieringswet.

Eenzijdige belichting

In de berichtgeving kwam bovenstaande evaluatie slechts heel beperkt aan bod. Dat vinden we jammer. Temeer omdat dit gebeurde door één paragraaf van onze studie over te belichten (de laatste). Daarin onderzochten we hoe de onderhandelaars ervoor gezorgd hebben dat ze die belangrijke, door Vlaanderen gewenste, hervormingen konden doorvoeren zonder sommige betrokken partijen zwaar in het verlies te duwen. Deze voorwaarde werd door alle betrokken partijen, ook de N-VA, onderschreven,
en we vinden dat men daar met brio in geslaagd is.

Onze simulaties bevestigen wat ook de onderhandelaars al wisten: de mate waarin de opbrengst van de personenbelasting groeit als de economie groeit (de elasticiteit) speelt een cruciale rol. Maar ongeacht de elasticiteit is het verschil in winst of verlies tussen de regio’s onderling verwaarloosbaar. De uitspraak van De Wever toen het akkoord bekend werd “de Vlaming is armer wakker geworden”, met de suggestie dat de transfers naar Wallonië toenemen, blijft daarom flagrant fout. Enkel het Brussels Gewest wint, en de vraag hoeveel extra fi nanciering Brussel daadwerkelijk
nodig heeft komt in onze studie niet aan bod.

Niet armer

De Vlaming is ook niet armer geworden om een tweede, belangrijke reden. In een scenario met een lagere elasticiteit dragen Vlamingen en Franstaligen bij tot de vrijwaring van de federale financiën. Maar diezelfde Vlaamse en Waalse/Franstalige burgers maken natuurlijk zelf ook deel uit van de federatie, die hun pensioenen uitkeert, de sociale zekerheid garandeert en belangrijke publieke goederen verstrekt. Eventueel regionaal verlies kan in die zin dus nooit losgekoppeld worden van de winst geboekt door de federale overheid. Te meer omdat de vergrijzing harder zal toeslaan in Vlaanderen. Door dit keer op keer toch te doen, riskeert men opnieuw een verarming van het publieke debat. En dat is zeker een verlies.

André Decoster & Willem Sas

(De auteurs zijn verbonden aan de KULeuven.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

(a) Decoster, A. en Sas, W. (2012), De nieuwe financieringswet: anders maar ook beter?, Leuvens Economisch Standpunt, Centrum voor Economische Studiën
Deze bijdrage verschijnt ook in De Standaard van 19 januari 2012

Het doel wettigt de middelen niet

18 / 01 / 2012

Het woord “crisis” moet één van de meest gebruikte woorden van het afgelopen jaar zijn. De ene was nog niet half gedaan of de volgende kondigde zich al aan. En iedereen had en heeft er wel een mening over: hoe is ze ontstaan, wie is de schuldige, wie gaan de slachtoffers zijn, hoe erg is ze, hoe lang zal ze nog duren,… Je mag je krant niet openslagen, je radio of je TV niet aanzetten of je wordt ermee geconfronteerd. Hoe meer je luistert en leest hoe depressiever je dreigt te worden. Het is een “ziekte” die trouwens door heel Europa waart. Veel vaststellingen, veel aankondigingen van noodzakelijke maatregelen, veel waarschuwingen. En mea culpa, ook zelf sturen we regelmatig dergelijke boodschappen in de wereld.

Uiteraard is veel van wat gezegd en geschreven wordt juist en mag er gewaarschuwd worden. Zin voor realisme is belangrijk. Maar perspectief bieden is dat nog veel meer. En dat is wat ontbreekt in al dat “gecrisis en bespaar”: hoopvolle oplossingen die mensen perspectief bieden.

Niet bij de pakken blijven zitten

Ze zijn er nochtans en in grote getale: de mensen die hoopvol voortwerken, die investeren en bedrijven laten groeien, die goede uitdagende jobs hebben mét perspectief, die vernieuwen en van al die crisissen opportuniteiten maken. . Ik zat vorige week aan tafel met tien KMO-bedrijfsleiders uit verschillende provincies en sectoren. De grote meerderheid van hen had er alles aan gedaan om een goed 2011 te draaien en is daarin ook gelukt, weze het met veel meer moeite dan in vele voorgaande jaren.

Het zijn realisten, ze voelen de crisis ook wel, maar blijven niet bij de pakken zitten en zien de toekomst hoopvol tegemoet. Zeker de exporterende toekomst, want ze ervaren steeds meer dat ze als Vlaams bedrijf een kennis- en technologisch voordeel hebben ten opzichte van hun buitenlandse collega’s. Net daarom hebben we de nieuwe minister van buitenlandse zaken tijdens ons eerste contact gevraagd bijzondere aandacht te hebben voor onze KMO’s tijdens exportmissies. De hoop en het perspectief zullen immers van hen en hun medewerkers komen.

De boodschap van de bonden

Die boodschap staat in schril contrast met de omgekeerde boodschap die de vakbonden gisteren gegeven hebben. Hun antwoord op de crisis, hun signaal van hoop is het land plat leggen, is die mensen die het verschil proberen maken tegenwerken. Ik begrijp dat ongenoegen over noodzakelijke regeringsmaatregelen moet geuit worden, dat de kans moet gegeven worden om al te harde maatregelen bij te sturen. Wij vinden dat ook en vragen dat ook voor ondernemers. Maar met ondernemers beletten te produceren en mee welvaart te creëren verleen je niemand een dienst, wel integendeel.

Karel Van Eetvelt

(De auteur is gedelegeerd bestuurder van Unizo.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Wat doen we met de oudjes?

Het is nu definitief: vanaf het 45ste levensjaar gaat het met ons mentaal snel bergaf, aldus het prestigieuze British Medical Journal. De “cognitieve vermogens” (geheugen, zin voor logica, begripsvermogen) laten het afweten, we worden vergeetachtig en verward.
Eigenlijk is dat een verbijsterende vaststelling, want het zijn uiteindelijk de 45+-ers die over deze planeet regeren. In alle maatschappelijke geledingen zwaaien ze de plak, terwijl ze aan een recordtempo hersencellen verliezen. Op alle domeinen falen ze dan ook, van Fukushima tot Wall Street: politiek, technologie, economie, milieu,- we gaan planetair regelrecht de verdoemenis in, zonder meer dankzij de gescleroseerde breinen. Ik noem het de ouderdomsparadox: hoe minder hersencellen, hoe meer macht.

Het “jeunisme”, de jeugdcultus die o.m. in de popcultuur hoogtij viert, is eigenlijk maar een mistgordijn voor dat wat men gerontocratie noemt: het complot van de oude(re) mannen,- ik zeg wel degelijk: mannen. Hoe hebben ze dat klaargespeeld?

“Kiemen van distopie”

Biologisch gezien komt macht enkel toe aan de exemplaren die het voortbestaan van de soort kunnen waarborgen, de alfa-dieren dus. Maar in de antroposfeer weten de oudere mannetjes, die biologisch afgeschreven zijn, zich te handhaven en hun eigen noodzakelijkheid te herdefiniëren, onder het mom van “maturiteit”. Macht is sowieso een compensatiefenomeen: omdat de biologische nuttigheid verdwijnt moet er een “levensverzekering” afgesloten worden die de groep belet om het nutteloze exemplaar te elimineren. Politici, zakenlui, wetenschappers, kunstenaars: het zijn beta en gamma’s die rondlopen met een alfa-sticker. Ze doen alsof ze macht hebben, en ze krijgen die ook echt.

Al deze “excellenties” leven biologisch op krediet, maar ze zijn erin geslaagd om een fictieve meerwaarde af te dwingen. Hun hoge stand in de sociale hiërarchie berust niet op reële potentie, maar op blufpoker, een soort intelligentie van de domheid.

Dat is een pervers gegeven, het resultaat is dan ook catastrofaal. Maar aan het einde van de eerste decade van de XXIste eeuw verschijnt er toch iets dat lijkt op een opstand tegen het complot van de dementerenden. Wat al zo lang sluimert als een “generatiekloof”, lijkt nu de afmetingen afgenomen te hebben van een oorlog tegen de seniliteit. En kijk: uitgerekend op een van de hoogmissen van de gerontocratie, de top van het Wereld Economisch Forum in Davos/Zwitserland (waar anders?), worden voor het eerst “kiemen van distopie” (sic) gesignaleerd, zijnde apokalyptische denkbeelden die onder jongeren sluimeren, en die leiden tot een regelrechte gerontofobie tegen de oude orde, het krakkemikkige systeem, maar vooral ook de fysieke vertegenwoordigers ervan. Occupy Wall Street, de Indignados en de Arabische Lente worden geciteerd. En het fenomeen is nog veel breder.

Generatie-oorlog

Met de vergrijzing en de kanteling van de pensioenspyramide (de actieven die betalen voor de gepensioneerden), zelf het gevolg van een stijgende levensverwachting, wordt het economisch nut van de ouderdom aarzelend uit de taboesfeer gehaald. Het recente opstootje tussen de jonge pensioenminister Vincent Van Quickenborne en de vergrijsde vakbonden had een existentiële dimensie, los van de economisch-financiële discussie.

Snel, ik verwacht de komende jaren, zal het debat gevoerd worden op het niveau waar het thuishoort: het cultureel-antropologisch niveau. Moeten wij echt koste wat kost zwaar investeren in medische en farmaceutische spitstechnologie om bejaarden in leven te houden? Anderzijds, als wij senioren “her-activeren”, terug in het economisch circuit halen, wordt de kans op ongelukken nog groter. Wat hebben we aan een gepensioneerde schoolbuschauffeur die een kind doodrijdt? De cultuurclash tussen oud en jong wordt onvermijdelijk, en ze heeft ook een eigen biologische redelijkheid. Het besef dat de 45+ers de wereld kapot maken door hun mentale degradatie, kan niet anders dan tot een distopisch denken leiden bij de jeugd. Zij moet de macht grijpen en de samenleving ont-scleroseren.

Het kan niet zijn dat tachtigers bij ons medisch en farmaceutisch steeds weer opgelapt worden, terwijl op andere continenten het gros van de bevolking niet eens de 45 haalt.

Ondertussen kan de pret niet op onder onze gepensioneerden. In de TV-reeks De Benidorm Bastards zien we ze aan het werk, de vrolijke hangouderen, de zgn. babyboom-generatie die zich wentelt in haar parasietenbestaan. Een complete welness-industrie en een hele rist boekjes, genre Plus Magazine, een blad met ‘Alle informatie voor een boeiende generatie’, cultiveert het seniorenhedonisme, met aandacht voor die 1001 kleine ongemakken zoals rimpels, erectieproblemen en, jawel, geheugenverlies.

Groene koekjes

Met dit alles op de achtergrond is de Occupy-beweging een intrigerende juveniele verwerping van alles wat de oudere generaties hebben opgebouwd en vandaag bemannen. Dat zal en moet zich op de schoolbanken laten gevoelen. Alleen een resolute pedagogische breuk kan de menselijke soort planeet redden, –gesteld dat die al zou moeten gered worden: het verwerpen van de oude kennis, de maturiteit als argument, het leergezag van de senior vooraan de klas. Ontneem hem zijn rijbewijs en maak er groene koekjes van.

We gaan dan naar twee soorten discours: eentje dat ik literair-theatraal zou noemen, de retoriek van de macht die altijd opnieuw wil bevestigen, en het discours van de wetenschap, pardon: zeg maar fysica.

De eerste wordt helemaal ingenomen door de gerontocratie: politici, kunstenaars en kleinkunstenaars, wetenschappers (vooral menswetenschappers), economen, alle soorten koffiedikkijkers. Zij regeren vandaag,- zij maken de fantasmagorie uit van het ontbindende brein en zijn pathetische retoriek. Het fysische discours daarentegen ontmaskert constant die literair-theatrale baardenkomedie van de macht. Het is jeugdig en basic. Daarom moet ze zich ook keren tegen de literatuur-an-sich, en meteen tegen alle bezigheden die wij als “cultuur” aanzien, maar die eigenlijk de kluit belazeren. 99% van wat zich als “kunst” presenteert, is een vergrijzingsfenomeen en moet als aanstellerige nonsens gecatalogeerd worden.

De fysica is, in de Nietzscheaanse zin, een jonge, “Fröhliche Wissenschaft”, een rede die alles ontluistert maar die wellicht ook als enige de fatale schipbreuk kan afwenden. De fysica is biologisch en compromisloos. Er moet daarbij onvermijdelijk gespeeld worden met scenario’s die de paradox van de ouderdom oplossen. Rationeel en bezonnen. Scenario’s die ouderen vrolijk laten gaan. Ik wees al op de mogelijkheid van funeral cruises. Het lijkt makaber, maar mensen moeten weer leren sterven, met stijl, anders hebben ze ook nooit geleefd.

Dit alles natuurlijk gezegd zijnde, vanuit het feit dat ook ondergetekende de 45 ruimschoots gepasseerd is, en het verlies aan hersencellen compenseert met pathetiek.

Johan Sanctorum

(De auteur is filosoof en publicist.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Magistraten: vaak te veraf, soms te nabij ?

15 / 01 / 2012
Vraag nu aan een jong magistraat of hij een “gewoon mens is”, en die zal je vaak spontaan lachend “ja natuurlijk” antwoorden. Stelde je een kwart eeuw geleden die vraag aan de ouwe garde, en ze keken gekwetst op als bij majesteitsschennis.

Vandaag, 137 dagen na mijn ontslag als magistraat geniet ik toch van het verschil. Ik was wél degelijk “iemand anders”. Of bijna.

Als iemand me nu aanspreekt met “mag ik u een vraag stellen ?” is het wantrouwend wederwoord niet meer de obligate waarschuwing: “ja, maar ik zal u waarschijnlijk niet mogen antwoorden”.

Een magistraat is inderdaad geen vrij mens

Aan rechters (en griffiers) is het niet alleen verboden advies te geven, of politieke standpunten in te nemen, ze hebben ook een voorzichtigheidsplicht in verband met persoonlijke contacten die “onkies” kunnen uitvallen in hun professionele opdracht. De eerste regel is wettelijk voorzien, de tweede wordt afgeleid uit de ‘scheiding der machten’, en de derde kadert wollig in wat de ‘deontologie’ heet.

Vooral die laatste excelleert in vroom geprevel, wat nogal wat invulling ‘à la carte’ mogelijk maakt, en dus ook berekend misbruik vanuit de hoog torende hiërarchie.

Kort samengevat: een magistraat heeft geen ‘statuut’ dat die naam waard is, een pak formele plichten, maar nauwelijks afgelijnde rechten, en dus onder meer niet alleen geen spreekrecht, maar zelfs… geen spreekplicht. Ooit zal ook ons land dàt eens moeten uitleggen in Straatsburg: over het falen – of succes - van methodes, en vooral onze loodzware dekens van stilte.

Middeleeuwse regels zelfs: als magistraat kon je tot voor enkele jaren tot schadevergoeding veroordeeld worden als je je weerbarstig opstelde tegen een verzoek tot wraking. Zonder gehoord te worden dan nog. In de énige wrakingsprocedure die ik moest doorstaan dacht ik dus wel méér dan twee keer na. Waarom in ’s hemelsnaam een dossier onder je willen houden dat je beter kwijt dan rijk zou zijn ?

De reputatie van “gedreven rechter”: daarmee bedoelen ze eigenlijk altijd de “verkeerde rechter”.

Dat “wraken” ook een negatieve vorm van ‘judge shoppen’ kan camoufleren (“ik wil die strenge rechter niet”), dààr heeft de wetgever nog niet diep over nagedacht. Ook politierechters met een uitgesproken beleid zullen dit wellicht ooit op hun bord krijgen, en daarenboven des te vaker het Parket eigenmachtig en gericht ‘zijn’ rechter kiest: ‘à la carte’.

Oordeelde het Hof van Cassatie ondertussen al niet dat een rechter wel publieke standpunten mag innemen, maar “in gematigdheid” ? ‘Middelmaat’, de flauwe deugd in een beroepsgroep waar niemand onbeschadigd zijn nek uitsteekt.

Weeral: niets gevaarlijker dan goede bedoelingen

Vooral sinds de Dutroux-affaire werd de afbraak van de ‘ivoren toren’ een wedstrijd tussen juridische aannemers en architecten. De rechter moest “naar buiten treden”, “de pols van de samenleving nemen”, “oog in oog met de burger” staan.

‘Diamonds are forever’, maar – enkel als voorbeeld - voetbal is tijdens het seizoen iets van alledag. Ook een ferme klepper als ‘business’ overigens. Voor het voetbalseizoen 2007-2008 peuterde een goed bedoelende voetbalfan-rechtbankvoorzitter vier gratis abonnementen los bij een club met wat ik een AAG+rating zal noemen. De voor zijn openheid alom geprezen en ondertussen betreurde magistraat was inzake die PR-tussenkomst voor het eigen personeel terzelfdertijd goed én slecht geplaatst: zijn gezin beschikte over twee betalende abonnementen, én hijzelf was vooraanstaand lid van een sportrechtbank. Meteen dus een troef én een nieuw probleem erbij.

De hetze die daarover ontstond begreep hij niet want “het Parket heeft al jarenlang 3 gratis abonnementen, en 4 voor 40 rechters betekent dat iedereen maximaal 2 keer gratis naar het voetbal kan. Denkt men nu echt dat een magistraat omkoopbaar is met een voetbalkaartje ? Ook invitaties voor concerten van het Festival van Vlaanderen of een stadsreceptie moeten dan geweigerd worden, want ook de stad komt wel eens voor de rechtbank” (Het Nieuwsblad 3 november 2007).

Inderdaad een doordenkertje, met dien verstande dat een stadreceptie niet betalend is, en een concert wel, tot in de bovenste en achterste rijen, in de volksmond als het ‘Uilenkot’ bekend. Laatboekers op eigen kosten kennen dit reikhalzend perspectief, ‘gratis genodigden’ op eliteplaatsen niet. Het verschil tussen de uilen, en de pauwen? Maar ook een ‘stadsreceptie’ is geen volksfeest: er hoort een uitnodiging bij, wat het principe huldigt van de ‘Happy Few’.

Ootmoedig zal ik erkennen: van mijn stad kreeg ik die huldiging op de allerlaatste dag van m’n carrière (zie de You Tube op m’n Law Blog), en misschien was dat inderdaad ook nog één dag te vroeg. Sorry dan.

Eigenlijk een vraag van alledag, tot bij de bakker

Hoe vertrouwelijk kun je als rechter omgaan met iemand tot je in eer en geweten niet meer onbevangen over diens belangen kunt oordelen ?

Oordeelt een vrederechter over de handelshuur van zijn bakker of slager ? Of over de facturen van z’n eigen garagehouder, de school van z’n kinderen, de medische prestaties van het eigen ziekenhuis ? De ‘nabijheidsrechter’ kan ervan meespreken hoe klein de wereld is. En ‘klein’ lijkt altijd onschuldig. Daar begint het altijd mee. Zoals voor alle verslavingen. Dàt zeggen rechters zélf toch iedere dag ergens op een zitting ?

Het gevaar in grote dossiers is in verhouding, dus enorm van omvang, maar dan ook dermate duidelijk dat je je afvraagt hoé het in Antwerpen zelfs maar kon komen tot de Indische pakjesdans. Het flauwste excuus is dan nog dat het hier niet over “in het onderzoek betrokken rechters gaat”: de inkt van de regeringsverklaring is immers nog niet droog over de ‘mobiliteit’ van rechters, en die takenwissel is nù al nergens groter dan intern in een rechtbank van eerste aanleg. Onderzoeksrechter ben je voor een tijdelijk mandaat, en uiteraard erf je bij uitstek in monsterdossiers, met jaren vertraging, materie waar je voorheen nooit mee te maken kreeg. En dan is het te laat voor wie ondertussen besmet werd.

Vertraging wegens een wrakingscarroussel is voor een verdachte altijd mooi meegenomen met de tikkende klok van verjaring. Of het “importeren” van externe rechters om de pijnlijk ontbrekende lokale krachten te vervangen: in het proces Erdal liep dat ook niet goed af.

Kortom: rechters die een buitenkansje willen, moeten gezellig incognito op soldenjacht, niet ex officio op bedeltocht. Anders worden zij de kooplieden in de tempel.

Volg het Italiaanse voorbeeld

Italiaanse rechters krijgen – hoofdzakelijk om veiligheidsredenen – sinds lang al het advies om in buiten de professionele contacten, hun beroep te omschrijven als ‘ambtenaar’ – een terechte terminologische gruwel voor fans van de ‘Derde Staatsmacht’.

Nochtans is het zàlig door het leven te gaan als een illustere onbekende, zonder het aureool van een blauw zwaailicht. Het lijkt me zelfs hilarisch dat rechters ‘ambtshalve’ op uitnodigingen zouden azen om zich te “laten informeren” over bepaalde sectoren. Jaren geleden liet ik het immers al verbatim drukken: “als ze weten wie je bent, gedragen ze zich anders” (Krant van West-Vlaanderen, 28 augustus 2008). Dat viel toen erg kil.

De Antwerpse voorzitter Mahieu bepleitte niet zo lang geleden een 2% snoei in de lonen van magistraten (en 3% voor korpschefs). Inderdaad niet ongepast in het inefficiënt systeem dat we nu kennen, maar dan ook niet te compenseren met presentjes.

Ten andere het tegendeel van wat al vaak bepleit werd: verhoog de lonen (hier nu nog bij de laagste van Europa), en reduceer het aantal magistraten. We hebben er niet te weinig, wel degelijk te veel, zoals ook o.m. Prof. E. Storme en advocaat Walter Van Steenbrugge al lang terecht bepleiten.

Ooit riskeren er nu in de Antwerpse rechtbank voor één proces alvast te kort te zijn. Toerisme doe je als magistraat daarom beter op eigen kosten in je nu nog meestal ruime vrije tijd: van Bombay tot Istanbul, en van Rome tot Jeruzalem. Dat reduceert ook de speeltijd tijdens de werkuren, want rechters hebben geen prikklok.

Lobbying: de balans van de omgekeerde wereld

Eigenlijk de essentie van het debat: selecte uitnodigingen mankeren altijd de waardevolste schakel (want de zeldzaamste !): de relatie met de ‘zwakkeren’ van onze samenleving, die we helemaal niet moeten beperken tot de 15 % Belgen die onder de armoedegrens leven. Rond Borgerhout of Doel bijvoorbeeld, maar dat zijn géén toeristische attracties. De modale Belg ‘tout court’, als consument – laat staan als consument van justitie – staat helemaal niet sterk in zijn schoenen, maar heeft geen lobby, geen ambassadeur, zelfs niet in Schoten of Brasschaat.

Hij zou er nochtans wel méér dan eentje kunnen gebruiken, zelfs zonder vlag en wimpel. Nu kan enkel de dossierkennis en professionele nieuwsgierigheid van een onbevangen rechter hem gerechtigheid bieden. Lobbying vertekent de balans altijd: daar is een lobby overigens voor gemaakt, of wat dacht u anders ?

Champagne, fruitsap, of zelfs thee: tel de invitaties na die ieder magistraat bijna dagelijks ontvangt, en de korpschef bij uitstek. Het wordt je altijd aangeboden door de sterke repeat-players. Zij die zelf de wetten helpen maken, dus dat maakt de voorsprong dubbel. Dus altijd bedoeld als straffe koffie om je ‘wakker’ te maken. Voor hùn zaak. Op die manier dreigt de omgekeerde wereld: “fort avec les pauvres, faible avec les forts”.

Vriendelijkheid impliceert geen vertrouwelijkheid, maar afstandelijkheid maakt familiariteit alvast onmogelijk. Op de zitting, met àlle partijen erbij (de essentie van wat justitie ‘tegenspraak’ noemt), en een beetje empathie, leer je overigens veel meer dan bij “bedrijfsbezoeken”, eenzijdig geknipt op maat van de VIP, en dus ‘fake’, lees: wereldvreemd.

Nein, Danke”: voor beleefde magistraten een veilig reflex. Ook een kwestie van midden het échte leven te blijven. Ga anders dromen in Disneyland. En ook op eigen kosten.

Jan Nolf
(De auteur was bijna 25 jaar vrederechter en schrijft bedenkingen over justitie op zijn Law Blog www.JustWatch.be )

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees de gewijzigde regels - mod

Beslissen over leven en dood: Gebukt onder de keuze-verantwoordelijkheid

14 / 01 / 2012

In de Panorama-uitzending ‘Als het geen leven wordt’ van 12 januari 2012 lag sterk de nadruk op uiteenlopende interpretaties van de wet op de zwangerschapsafbreking en de verschillende ethische visies van de levenskwaliteit van het (ongeboren) kind.

Hoewel de intro van Phara veelbelovend leek, bleven we wat op onze honger zitten: na het aangrijpende, overigens sereen gebrachte, verhaal van An en Hans kwam al heel snel de focus te liggen op de hiaten in de Belgische wetgeving en werden visies van artsen en ziekenhuizen tegenover elkaar geplaatst werden.

Verscheurend beslissingsproces

Als organisatie die ijvert voor de optimale zorg voor deze ouders lijkt dit ons een gemiste kans, want hierdoor werd voorbij gegaan aan de essentie, namelijk de zorg voor koppels die zwanger zijn van een kindje met ernstige afwijkingen. Hoe is het om voor zo’n moeilijke keuze te staan? Welke zorgen zijn er voor deze ouders? Welke zorgen hebben zij nodig? Is er voldoende continuïteit van de aanwezige zorg? En is er voldoende nazorg, ongeacht de beslissing die zij nemen?

Door haast onmiddellijk in te zoemen op het moment waarop het hart van het kindje stilgelegd wordt, en de discussie op welk moment in de zwangerschap en onder welke omstandigheden (i.c. welke afwijkingen) deze daad gesteld kan en mag worden, zoemt de reportage meteen in op een cruciaal en ingrijpend maar ook het meeste sensationele moment van de afbreking. Het hele verscheurende beslissingsproces dat aan dit moment voorafgaat, komt jammer genoeg niet aan de orde.

Emotionele druk

Nochtans is de emotionele druk die dit proces met zich meebrengt, niet te onderschatten. Deze druk ontstaat door de inhoud van de keuze: kiezen voor een afbreking van een gewenste zwangerschap omdat het kindje zwaar ziek en/of ernstige afwijkingen heeft dan wel kiezen voor het behoud van het kindje met een duidelijke handicap of onverwachte en onvoorspelbare levensverwachting.

Maar de keuze is ook verscheurend om een tweede reden: niet alleen omwille van wat men kiest, maar ook omwille van het feit dat men de verantwoordelijkheid zal moeten dragen over die keuze – wat men ook kiest. Zo zullen ouders moeten leren leven met het feit dat ze de zwangerschap lieten beëindigen en daarbij in het ongewisse blijven over wat er zou kunnen geweest zijn. Misschien zou de ernst van de handicap meegevallen zijn. Misschien zouden ze het wel als koppel, als gezin aangekund hebben om dit kindje op te voeden. Misschien…

Daarnaast is er de verantwoordelijkheid van de keuze indien men kiest om het kindje te laten geboren worden: men zal voor altijd zorg moeten dragen voor dit bijzondere kindje, met zijn of haar eigen zorgen en noden; men zal zich misschien moeten verantwoorden voor die keuze; … Daarbij zullen zij geconfronteerd worden met de draagkracht van hun context: zullen zij het aankunnen – als ouder, als koppel, als gezin, als familie – om de beslissing die ze nemen of genomen hebben te aanvaarden? Maar er is geen ‘goede’ keuze; het is een keuze die men niet kan of wil maken.

Ruimte

Om tot een kwaliteitsvolle beslissing te komen, is een goede begeleiding cruciaal. Een ‘kwaliteitsvolle’ beslissing betekent dat de verschillende opties vanuit diverse perspectieven moeten bekeken worden (maatschappelijk, ethisch, persoonlijk, relationeel, …) zodat het een echte keuze kan zijn.

Op zijn beurt impliceert dit dat er ook in onze maatschappij ruimte blijft voor (de gevolgen van) beide keuze. Immers, voldoende maatschappelijke aandacht aan nazorg is cruciaal, zowel bij een afbreking als bij behoud van het kind. Dit betekent dat er voldoende georganiseerd hulpaanbod moet zijn om de keuze om een kind met een handicap geboren te laten worden mogelijk te maken, zodat ouders er niet alleen komen voor te staan.

Dit betekent ook dat beide groepen ouders erkend worden in hun rouwproces dat zij doormaken bij de verscheurende beslissing die zij namen. Respect voor het rouwproces van hen die kiezen om de zwangerschap af te breken, die zoeken naar erkenning van hun verdriet zodat het uit de taboesfeer kan worden gehaald. Alsook de erkenning van het rouwproces van de ouders die hun kindje houden waarin zij afscheid nemen van ‘het gezonde kind’ zoals zij het zich hadden voorgesteld. Vandaar het immense belang van specifieke begeleidingsgesprekken tijdens het beslissingsproces alsook bij de verwerking ervan.

Ellen Van Stichel

(De auteur is stafmedewerker cRZ (centrum voor Relatievorming en Zwangerschapsproblemen) - www.prenatalediagnose.be )

@Allen : reageren op deze opiniebijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod