deredactie.be - OPINIE

Facebook als schandpaal

05 / 02 / 2013

 

Something is rotten in mijn geboortestad. Dinsdag 5 februari buigt de raadkamer van Turnhout zich over de Europese aanhoudingsbevelen tegen vijf jongeren die ervan verdacht worden betrokken te zijn geweest bij een zware mishandeling in Eindhoven. De feiten waarvan ze verdacht worden dateren van 4 januari. Die nacht werd een 22-jarige jongeman afgetuigd door een groep jonge kerels. De man werd onder meer tegen het hoofd getrapt. Nadat de politie een filmpje van de mishandeling had getoond op televisie en er een hetze ontstond op internet meldden drie Nederlandse jongeren, die in de omgeving van Turnhout wonen, zich al eerder bij de Nederlandse politie. Maar er zijn dus nog meer verdachten, die zich niet vrijwillig in Nederland gingen aanmelden. Omdat de vijf kompanen geen instemming gaven voor een overlevering aan Nederland, mag de rechter oordelen of ook zij aan Nederland moeten overgeleverd worden.

Een soort van heksenjacht

Op nieuwssites lees ik reacties van mensen die de snelheid van de Nederlandse justitie tot voorbeeld stellen. Iemand geeft aan dat het in België minstens twee jaar zou duren vooraleer een zaak als deze zou voorkomen. De auteur beweert ook dat de strafmaat in Nederland strenger zou zijn voor minderjarigen dan bij ons. Ik weet het niet, ik ben geen jurist.

Op sociale mediasites gaat het minder over de juridische kant van de zaak. Wat ik hier lees heeft meer weg van een heksenjacht. De publieke verontwaardiging is algemeen. De beelden van de mishandeling deed mensen gruwen. Turnhout heeft last van kleine criminaliteit en drugoverlast en het machogedrag van rijke, Nederlandse fils à papa roept geen sympathie op. In de provinciestad kent bovendien iedereen wel vuilbekkende Nederlandse schoffies die zich gedragen alsof de stad van hen is.
Mensen gingen op zoek naar schuldigen, wilden daders aanwijzen, deelden foto’s. De namen van de beklaagden stonden publiek op een website.

Politie om de pers te weren op school

Op Facebook werd gesuggereerd dat de verdachten op de Stedelijke Handelsschool zaten. De massale media-aandacht die dit veroorzaakte noopte de school om de politie in te schakelen om de toegestroomde journalisten en cameramensen te weren. De directeur verklaarde aan Gazet van Antwerpen dat de school werd “overspoeld” door journalisten en cameramensen. Overigens tevergeefs, de verdachten lopen blijkbaar elders school.

De doos van Pandora?

De verontwaardiging om de mishandeling is in Nederland zo mogelijk nog groter dan in de Belgische grensstreek. Eerder waarschuwde het Nederlandse Openbaar Ministerie ervoor om het recht niet in eigen hand te nemen om de normale rechtsgang niet te verstoren.
Iemand vraagt me of hier niets aan te doen is. Is met Facebook de doos van Pandora opengegaan? En kunnen we daartegen iets ondernemen?

Het vrijgeven van de namen van de jongeren roept beelden bij me op van de schandpaal. Ik lees op Wikipedia dat die middeleeuwse straf nog tot in de negentiende eeuw bij ons werd toegepast. De schandpaal was in de eerste plaat een onterende straf waarbij je te kijk werd gesteld en letterlijk “voor paal” stond, maar het gebeurde dat mensen niet enkel beschimpt, maar ook bekogeld werden. Tot zelfs met stenen toe. In het wilde westen van de cowboyfilms kenden ze de pek en veren-variant op onze schandpaal. Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon.

Is het te vermijden?

Maar kan je daar iets tegen doen? Ja natuurlijk. Wij leven gelukkig in een rechtsstaat, het recht in eigen hand nemen is verboden. En aanzetten tot haat is verboden. Je kan daartegen klacht indienen. Die jongens zouden dat kunnen doen of hun ouders. Opnieuw, ik ben geen jurist, daarvoor moet je je tot anderen wenden. Plots daagt het me dat de vraagsteller iets anders voor ogen heeft. Kan je dit vermijden? Kan je die vuilbekkerij via Facebook vermijden? Neen dat kan je niet.

Facebook plaatst een megafoon boven een cafégesprek. Wat enkele vrienden onder elkaar vertellen, krijgt op die manier een ruimere weerklank. Niet enkel de versterking is fenomenaal, ook de snelheid waaraan het nieuws verspreid wordt.

Facebook als “regelaar”

Als ik met mensen over sociale media praat valt het me op dat nogal wat mensen zich storen aan wat ze op die manier te lezen krijgen. Nu en dan krijg ik bericht van iemand die, liefst met veel misbaar, Facebook verlaat. “Meet you in real life”, maar de meesten houden vol, ondanks de ergernis. Omdat er natuurlijk ook regelmatig wél interessante nieuwtjes te rapen vallen. Enkele parels tussen de vele oninteressante statusupdates. Als dit spelletje Namen Noemen op je startpagina verschijnt is dat omdat Facebook het daar geplaatst heeft, omdat het goede redenen heeft om te veronderstellen dat je interesse hebt in deze toogpraat. Volgens mensen die er iets vanaf weten, verschijnt slechts 15% van de statusupdates van je vrienden ook daadwerkelijk op je startpagina.

Het loont wel eens de moeite om na te gaan hoe dat mechanisme juist werkt. Al jaren maakt Google ons nieuwsgierig naar het voortdurend verbeterde en aangepaste logaritme dat ervoor zorgt dat we na het ingeven van een zoekterm net die resultaten krijgen die het meest relevant zijn en liefst bovenaan op de eerste pagina. Het is dit geheime recept dat ervoor gezorgd heeft dat je geen vijf andere zoekmachines meer kan opnoemen, laat staan dat je ze zou gebruiken. Welnu, Facebook past iets gelijkaardigs toe. De berichtenstroom is zo overweldigend dat het onmogelijk is om alles bij te houden en dus gaat de sociale netwerksite prioriteiten bepalen. De site gaat bekijken wat voor jou het meest relevant is. Je kan dat voor een stuk zelf sturen door aan te geven wie je goede vrienden zijn. Maar er is een groot deel waar je geen vat op hebt. Als wederzijdse vrienden commentaar hebben toegevoegd aan een status van een vriend, zal Facebook dit bericht naar boven stuwen in de brij. Meerdere vind-ik-leuks maken een bericht zichtbaar.

Wie Facebook beschouwt als een medium om contact te hebben met bekenden, schermt zijn berichten af zodat deze enkel zichtbaar zijn voor vrienden, maar de jonkheid doet het anders. Zij stellen hun berichten open voor vrienden van vrienden, wat de snelheid van verspreiding en het megafooneffect exponentieel doet toenemen. Facebook maakt daarbij geen onderscheid tussen lieflijke posts naar aanleiding van gedichtendag en vuilbekkerij die aanzet tot een lynchpartij. Enkel de feedback van je naasten stuwt de berichten in de prioriteitenlijst.

Facebook met de vinger wijzen?

Het verspreiden van de namen van de Nederlandse schoelies heeft in mijn ogen niets met internet of sociale media te maken. Je hebt Facebook niet nodig om namen aan gezichten te linken. In het wilde westen werden de tronies van voortvluchtigen door middel van affiches verspreid. Maar je kan inderdaad stellen dat hier misbruik gemaakt wordt van het medium. Misbruik dat overigens ook aangekaart kan worden. Op Facebook bestaan manieren om te melden dat een bericht volgens jou ongepast is. Ik moet toegeven, ik ken dit enkel als een theoretisch principe, ik heb het zelf nooit toegepast. Je kan nog verder gaan. Je kan Facebook vragen om het profiel van iemand te blokkeren. Er zou enige tijd overheen gaan, maar als de redenen gegrond zijn, zou de sociale netwerksite wel degelijk als politie van dienst optreden (Nogmaals, ik heb zelf nooit enz…) .

Wie dit alles voldoende reden vindt om Facebook zelf met de vinger te wijzen, dwaalt in mijn ogen. Er is veel, heel veel dat je Facebook kan verwijten. Ik denk dan in de eerste plaats aan het gebrek aan transparantie hoe het bedrijf omspringt met de gegevens van haar gebruikers, de voortdurende aanpassingen aan de gebruiksvoorwaarden en ik kan nog wel enkele zaken opnoemen die ik minder sympathiek vind aan de grootste sociale netwerksite. Maar ik wil niet in de val trappen dat ik het misbruik dat mensen van het medium maken aan het bedrijf ga verwijten.

Bescherming van gegevens

Ik las laatst over auto’s van 1000 Pk. Wie met zoiets rondrijdt heeft een moordwapen in handen en moet zich daarvan bewust zijn. Zelf verplaats ik me vooral per fiets. De kans dat ik daarmee anderen beschadig, is eerder klein. Ik kan het iedereen aanraden om te fietsen, goed wetende dat onze wereld veel veiliger zou zijn zonder benzineverslinders. Maar auto’s zijn daarom geen doos van Pandora, bron van alle kwaad. En het staat jou vrij om met de auto te rijden, zelfs in één met een buitenissige hoeveelheid paardenkracht. Zoals het mij vrij staat om dat belachelijk te vinden.
Persoonlijk verkies ik het om mijn statusupdates op Facebook af te schermen voor het grote publiek, maar het staat je vrij om jouw zieleroerselen aan de hele wereld konde te doen. Pas alsjeblieft wel op als je dat doet. ‘t Is gevaarlijk. Als een auto van 1000 Pk.

Ik weet niet hoe het bij jou zit, maar op mijn Facebook-startpagina kreeg ik de namen van de snoodaards niet te lezen. Jij wel? Kies jezelf andere vrienden!

Koen Cornil

(De auteur is lector media aan AP Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Een plan op leven en dood

 

Woensdag start het driehoeksoverleg tussen regering, werkgevers en vakbonden. Op de tafel: het statuut van arbeiders en bedienden dat als een zwaard van Damocles boven onze hoofden hangt. Ons economisch weefsel kan zich naast een loonkostenhandicap geen bijkomende arbeidsrechtelijke handicap veroorloven. Ik maak me geen illusies: als elke arbeider de ontslagvergoeding van een bediende moet krijgen, dan maken de hoofdzetels in het buitenland een kruis over België als economisch aantrekkelijk land.

Extra-handicap

Een nivellering naar boven zou immers leiden tot een extra loonhandicap – alleen nog maar op interprofessioneel niveau – van gemiddeld 2 tot 4% leer ik uit de berekeningen van onze sectorfederaties. Stel je de kostenexplosie voor en alle gevolgen van dien voor het voortbestaan van onze industrie, de minderkansen voor laaggeschoolde werknemers en werkzoekenden, … Zeker voor de kmo’s is dit scenario een catastrofe.

Non-discriminatie met behoud van rechten

De tijd van talmen is voorbij. Onze bedrijven en hun werknemers eisen duidelijkheid. De appel in twee delen is geen optie. Het werkt contraproductief en maakt de arbeidsmarkt nog meer rigide. We moeten durven kiezen voor een modern ontslagrecht en arbeidsmarktbeleid die de EU-benchmark doorstaan en onze Belgische werkgevers en werknemers niet uit de markt prijzen. Wij streven alvast naar een dynamische arbeidsmarkt met de klemtoon op activering en wedertewerkstelling in plaats van passieve sociale bescherming.

Met in een eerste fase een plan om een einde te maken aan de discriminatie op het vlak van de ontslagvergoeding en de carenzdag (de eerste ziektedag die arbeiders niet en bedienden wel betaald krijgen) zoals het Grondwettelijk Hof eist tegen uiterlijk 8 juli. Na een jaar overleg met onze sectoren stellen we voor dat de wetgever een interprofessionele onder- en bovengrens vastlegt voor de opzeggingstermijnen. Aan de sectoren om tussen de twee uitersten te bepalen hoelang de termijn effectief wordt. Jarenlang hebben de werkgevers een wettelijk verschil moeten toepassen. Vandaag werkt ons plan de discriminerende gevolgen daarvan weg zonder aan de in het verleden opgebouwde ontslagrechten te raken. De anciënniteit uit het verleden wordt ‘vastgeklikt’ en kan nog worden opgebruikt, maar tegelijk stapt iedereen zonder onderscheid op 8 juli in het nieuwe stelsel.

Werkzekerheid vs. jobzekerheid

Meer nog dan het uitgommen van de ongelijkheid tussen arbeiders en bedienden, promoten we werkzekerheid in plaats van jobzekerheid. Nogmaals, in essentie is niet de ontslagvergoeding de fundamentele inzet van ons plan, dan wel de wedertewerkstelling van de mensen. Voor de werkgevers maken outplacement en de vorming en begeleiding van ontslagen werknemers integraal deel uit van de ontslagbescherming en het bijbehorende kostenplaatje. Liever meer geld naar activering dan naar langere ontslagtermijnen. Omgekeerd is niet meer van deze tijd.

Tot slot moderniseert het plan ook de ontslagmotivering en trekt het de bestaande regeling voor arbeiders inzake willekeurig ontslag door naar bedienen. Weliswaar met gedeelde bewijslast. Het lijkt ons logisch dat als de werkgever motiveert waarom hij iemand ontslaat, de werknemer aantoont waarom zijn ontslag onrechtmatig zou zijn.

Verschil betekent niet automatisch discriminatie

De carenzdag lijkt ons minder een struikelblok. Of we volgen het Franse voorbeeld en voeren hem voor iedereen in. Of we schrappen de dag zoals in Duitsland. Op voorwaarde van een betere controle op het absenteïsme. Beide opties staan nog open.

En wat met de andere verschillen hoor ik u denken? ‘Discrimineren die wel?’ is mijn wedervraag. Zo genieten arbeiders en bedienden dezelfde voordelen op het vlak van gewaarborgd loon, maar de financiering gebeurt verschillend. Is dat discrimineren? Dat is voer voor juristen.

Globale oplossing

Laat ons de komende weken inzetten op een globale oplossing die een sluitend antwoord bevat op de eisen van het Grondwettelijk Hof, maar ook aanzetten biedt voor het wegwerken van echte discriminaties. Zo vermijden de sociale partners en de regering een rampscenario.

Pieter Timmermans

(De auteur is gedelegeerd bestuurder van het VBO.)


@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Doping- en gokfraude in wielrennen en voetbal

04 / 02 / 2013

Na de explosieve dopingonthullingen in het wielrennen maakt de topsportsector vandaag opnieuw geen goede beurt. Op een persconferentie in Den Haag communiceerde de Europese politieorganisatie Europol dat een criminele organisatie in kaart gebracht is die de voorbije jaren 380 voetbalwedstrijden in Europa en 300 wedstrijden buiten Europa zou hebben gemanipuleerd. Liefst 425 corrupte scheidsrechters, bestuurders, spelers en criminelen in 15 landen zouden geïdentificeerd zijn. Het zou gaan om WK- en EK-kwalificatiematchen, duels betreffen uit de Champions League en wedstrijden in verschillende hoogste afdelingen uit topcompetities.

Doping- en gokfraude

Sinds zijn aanstelling als IOC-voorzitter beklemtoont Jacques Rogge dat topsport in essentie bedreigd wordt door twee kwalen die hard moeten aangepakt worden: doping én match fixing. Waar doping effectief is en dus welig tiert in alle duur- en krachtsporten – en dus niet alleen in het wielrennen – steekt het probleem van match fixing de kop in sporten waar geld gewonnen kan worden door te gokken op het sportief resultaat.

In Vlaanderen is de kleine, lokale sporttak veldrijden razend populair. Zo volgden tijdens het Belgische (of het Vlaamse?) kampioenschap veldrijden enkele weken geleden in Mol 22 vaste camera’s 17 professionele veldrijders. Dit weekend was de waterstand van de Ohiorivier het gespreksonderwerp op Vlaamse supportersfeesten die daardoor een dag vervroegd moesten worden. Ook het wegwielrennen krijgt in Vlaanderen, in goede en kwade dagen, veel mediaruimte.

De jongste maanden werden heel terecht de donkere en valse kanten van het wielrennen belicht. Ondertussen is het zonneklaar dat het wielrennen na de val en biecht van Armstrong met een gigantisch imagoprobleem kampt en dringend, via sectorversterking en meer gekwalificeerde managers, met een geloofwaardig actieplan voor de dag moet komen.

Toch verrast

Insiders waren wél verrast dat dopingproblemen in andere kracht- en duursporten onderbelicht werden. De vele dopinggevallen op weg naar en tijdens Londen 2012 of het multisport (ook voetballers?) dopingnetwerk dat in de Fuenteszaak in kaart gebracht wordt, kreeg soms minder mediaruimte dan bijvoorbeeld een dopingbekentenis van een Rabobankknecht tussen 2000 en 2003.

In het peloton van de topsporters wordt vooral de betrokken wielrenner, terecht of onterecht, als een pathologische leugenaar en junk gestigmatiseerd. Tegelijk mag er ook van uitgegaan worden dat het dopingprobleem veel minder gepokt en gemazeld is in het internationale profvoetbal dan in bijvoorbeeld atletiek, biatlon, langlauf of wielrennen.

Toch verweet Peter Van Eenoo, hoofd van het Gentse dopinglab Michel D’Hooghe struisvogelpolitiek (De Morgen, 26 januari) omdat die maar blijft herhalen dat doping in het voetbal geen issue zou zijn. Van Eenoo beklemtoont dat er zoveel potjes gedekt blijven in andere sporten en dat ook die etterbuil moet barsten. Hij hoopt dat de opening in het wielrennen ook kan overslaan naar andere sporten.

Trouwens, net vandaag bekende de ex-voorzitter Badiola van het - niet toevallig Spaanse - Real Sociedad dat zijn twee teamartsen scheve schaats reden en met zwart geld verboden stimulerende middelen hadden gekocht en toegediend … tussen 2002 en 2008. Ook gaf Badiola aan dat documenten met het opschrift ‘rsoc’ die gevonden werden tijdens huiszoekingen bij Fuentes mogelijk kunnen staan voor ‘Real Sociedad’.

Omvang fraude

In vergelijking met de rijke voetbalsector is het regionale wielrennen echter een dwergsport. Het budget van een topteam in het wielrennen benadert dit van een Belgische voetbalclub-subtopper en onze nationale competitie is in sportief-economische termen een negende rangcompetitie in Europa. De economische omvang van de dopingfraude in het wielrennen zal daarom ongetwijfeld veel kleiner zijn dan de uitwassen van gokfraude in het mondiale topvoetbal.

Europol-baas Rob Wainright stelde vandaag dat een fraude ontdekt is op een “nooit geziene schaal” en vreest dat dit maar “het topje van de ijsberg zou zijn”. In het onderzoek, dat anderhalf jaar aan de gang is, zouden al 50 arrestaties verricht zijn. Het criminele netwerk zou al miljoenen euro’s winst hebben opgeleverd.

Ook het wielrennen blijft – alle verhoudingen in acht genomen - niet onbesproken op het vlak van omkoping. Denken we maar aan de verdachte overwinning (via onderschept emailverkeer met zijn maatje Kolobnev) van Alexandre Vinokourov in Luik-Bastenaken-Luik 2010 en aan zijn ‘Olympische sprintoverwinning’ tegen Uran. O ja, Alexandre Vinokourov is ondertussen teammanager van Astana en diende prompt een aanvraag in om met zijn Worldtour team toe te treden tot … de beweging voor een geloofwaardige wielersport.

Onzeker resultaat

Een uniek kenmerk van de topsportsector, in vergelijking met andere diensten- en belevenissensectoren is het onzeker resultaat (uncertainty of outcome). Dit maakt topsport heel spannend en onvoorspelbaar. De degradatieploeg kan het onverwacht halen van de competitieleider, terwijl de superknecht een mooie klassieke overwinning kan behalen.

Helaas krijgen we niet altijd de zuivere vorm van topsport voorgeschoteld. De rechte weg naar succes, applaus en miljoenen loopt krom via bedrog en concurrentievervalsing. Afhankelijk van de sporttak neemt die vervalsing andere vormen aan. Het is de taak van de leiders in de topsportsectoren om die fraude te beheersen - uitschakelen is zoals in andere economische sectoren een utopie - en waar mogelijk te streven naar het ideaalbeeld van een gelijk speelveld.

Daarom moeten internationale sportbonden nog meer delegeren en proactief samenwerken met het gerecht om fraude aan te pakken. Zowel uit de zaak Museeuw, het dossier Armstrong, binnenkort de Padua-Ferrari-wielerdopingfraude, de Spaanse multisport dopingzaak Fuentes én nu de Europol-gokfraude leren we dat de sportbond er niet slaagde om fraude in kaart te brengen via eigen controles.

Het verschil werd telkens gemaakt door de meer afgetrainde politionele diensten. Voor wie er nog mocht aan twijfelen: het Europolonderzoek bevestigt dat de topsportsector een op drift geslagen en rauwe economische bedrijfstak is binnen de entertainmentindustrie.

Wim Lagae

(De auteur is hoofddocent sportmarketing Thomas More Antwerpen | K.U. Leuven.)

@Allen reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

“Louvain dehors”, het nieuwe “Walen buiten”…


Eind november vorig jaar was er een super-debat en een groot feest in de Aula Magna in Louvain-la-Neuve. Zoiets als een trouwfeest van een nieuw samengesteld gezin behalve dat het hier om twee oude minnaars ging..! Onder het dubbel voorzitterschap van de rektoren Bruno Delvaux en Mark Waer vierden de twee Leuvense zuster-universiteiten samen de veertigste verjaardaag van de aankomst van de eerste studenten op de “plateau de Lauzelle” in Ottignies.

Visionair Michel Woitrin

Sinds 2000 vinden de Université Catholique de Louvain en de Katholieke Universiteit Leuven elkaar regelmatig terug na de moeilijke scheiding van de jaren zestig waar Paul Goossens en zijn kameraden de bourgeois wilden buiten smijten, maar uiteindelijk staken alle Walen (de Franstaligen, om precies te zijn) de “bietengrens” over om zich in Waals-Brabant en in het Brusselse te vestigen, in Ottignies en in Sint-Lambrechts-Woluwe.

En in tegenstelling met wat men in het begin dacht, overleefde de Franstalige Alma Mater niet alleen haar transfer en stierf ze niet in de ziekenwagen, maar slaagde ze integendeel erin van haar overheveling een succes-story te maken met vooral de stichting van de eerste stad in België sinds 1666). En dat dank zij onder andere een visionair: algemeen beheerder Michel Woitrin. Want op het moment dat de bisschoppen nog steeds beweerden dat er geen splitsing zou komen zocht hij al de beste locatie in Wallonië … “Louvain” putte een fantastisch dynamisme in de scheiding maar men kwam toen uit de “Golden sixties” en er was nog geld in de Belgische Staatskassen.

Calotin

Toch was alles niet rozengeur en maneschijn: in het algemeen hielpen de Franstalige besluitvormers de universiteit in haar nieuwe vestiging maar heel vlug doken de oude ideologische demonen weer op …

Alhoewel Waals-Brabant een uitzondering was en blijft in een heel rood getint Wallonië, plaatsten sommigen heel vlug stokken in de wielen van de UCL. Bijvoorbeeld door niet-leden van de Alma Mater niet toe te laten inwoners van Louvain-la-Neuve te worden. Een grendelwet op het einde van de twintigste eeuw en dat in een nieuwe stad… t’ja dat is natuurlijk Waals en Belgisch!

Sommigen hadden het blijkbaar heel moeilijk met de positieve herontplooing van de “Calotins” - de kaloten/kattenkoppen… - in een toen al overwegend vrijzinnig Wallonië. Dus was er een zekere weerstand tegen de UCL uit de eigen cultuurgemeenschap.

Veertig jaar later is er, spijtig en bitter genoeg – ik kan niet anders doen dan het te betreuren wanneer ik naar de overkant kijk en onder andere naar het Vlaams universitair en hogeschogenlandschap…- heel weinig veranderd en zijn de oude, domme, ouderwetse opposities nog te veel aanwezig in sommige geesten…

Yves du Monceau, vader van LLN

Drie recente voorbeelden… Sinds 2011, heeft Wallonië haar eigen “Mérites”. Geen “Mérites agricoles” voor jaarmarkten of dierenkeuringen maar een soort Légion d’honneur of Kommandeur van de Orde van Leopold maar dan voor en op het Waals grondgebied. In haar eerste lichting werden ook politici naar voor geschoven.

Twee van hen, historicus Hervé Hasquin (MR) en oud minister-president Guy Spitaels (PS) werden Commandeurs, de hoogste graad maar Yves du Monceau (ooit PSC), die echt de politieke vader is van de vestiging van de UCL in zijn gemeente (nu stad) waar hij 30 jaar lang burgemeester was en zo ook heel Waals-Brabant naar boven stuwde, werd alleen maar officier.

De ooit zeer flamboyante maar fantastisch menselijke politicus en zakenman die de UCL bij hem aanvaardde – de socialistische burgemeester van Wavre zei neen want hij wilde geen “Calotins”… - heeft veel aristocratische klasse want hij wou er geen schandaal van maken.

Ik kan het weten want enkele maanden geleden schreef ik met hem een souvenirboek (bij de Editions Racine) waar ik in mijn voorwoord de Waalse regering de levieten wou lezen, die daar een uitstekende kans kreeg eindelijk deze zeer grote Waal (maar ook nog steeds Belg…) te onderscheiden. Graaf du Monceau wilde geen stof doen opwaaien maar ik blijf erbij: Wallonië erkent haar echte helden te weinig…

Sportcentrummetje

Een ander voorbeeld dat duidelijk maakt dat Louvain-la-Neuve niet helemaal aanvaard is en blijft, was de heisa rond de bouw van een trainingscentrum voor de Franstalige sportelites in de universiteitstad. De socialisten – vooral de Luikse die een eigen voorstel hadden met de Université de Liège… - waren er vierkant tegen. Uiteindelijk komt er maar een klein deel van het project met een indoorathletiekpiste.

De stad Ottignies, een van de weinige Waalse gemeenten is waar de burgemeester van Ecolo is, steunde natuurlijk minister Antoine maar de politieke kleingeestigheid was nooit veraf: de socialistische schepen van Sport mocht als provincieraadslid het project niet steunen … En dan zal men morgen verbaasd zijn dat er niet meer Borlée’s rondlopen ten zuiden van België…

Nieuwe “Walen buiten”

Jamais deux sans trois, zegt men bij ons…Recentelijk was er dan nog het voorstel voor een nieuw universitair en hogescholenlandschap voor Franstalig België. Een project van socialistisch minister van Hoger Onderwijs Jean-Claude Marcourt, maar hij wil de uitstraling van de UCL beperken tot Waals Brabant.

Wat absoluut gek is wanneer men de Université de Louvain kent. Want die heeft warempel veel banden in Brussel maar ook in andere Waalse provincies. Het voorstel maakte de verantwoordelijken van de Alma Mater razend want er was duidelijk geen rationele uitleg om de invloed van “Louvain” te beperken tot haar eigen streek. Intussen is er wel een compromisoplossing gevonden maar de universitaire gemeenschap van LLN blijft op haar hoede.

Want in zekere mate, is men terug bezig met een nieuw “Leuven buiten”, in dit geval “Louvain dehors”. Een toppunt … Alsof het ook een zonde zou zijn om terug samen te werken met de KU Leuven. En dus op eigen kracht Wallonië meer slaagkansen te geven …

Christian Laporte

(De auteur is politiek journalist en commentator voor La Libre Belgique.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

Moet het solidaire overleg kapot?

03 / 02 / 2013
We weten inmiddels dat Europa, althans diegenen die het daar nu voor het zeggen hebben, ons model van solidair overleg kapot wil. Goed bezig België, moeten ze daar nu denken, te oordelen naar de hardnekkigheid en eenzijdigheid waarmee de federale regering de loonnorm wil doen naleven.

Roadmap tegen solidair overleg

In een vorige bijdrage had ik het over de roadmap van Herman Van Rompuy voor de verdieping van de Europese Unie. En over de doctrinaire obsessies van Ecfin (het Europese Ministerie van Economische en Fiscale Zaken) en van de Europese Centrale Bank (ECB) om de loonvorming radicaal te flexibiliseren. De aanhoudende aanvallen op ons Belgisch stelsel van indexering zijn de meest bekende exponent.

Onderschat echter niet hoe ze ook ons stelsel van centrale, solidaire loonvorming onderuit trachten te halen. Wegens onverenigbaar met hun neoliberale waanideeën over hoe een flexibele arbeidsmarkt, alias moderne arbeidsmarkt, er precies moet uitzien. Zonder automatische indexering, dat wisten we al. Maar liefst van al zonder centrale loonafspraken.

Defederaliseren, richting de regio’s. Decentraliseren, richting de bedrijven. Variabiliseren, zodat het loon fluctueert volgens de economische situatie, performantie of productiviteit van de dag. Minimumbarema’s, afgrijselijk. Die vloer ter vrijwaring van werknemers tegen armoede, moet er uit, want sta-in-de-weg voor hun flexibel moderniseringsmodel . En waarom niet meteen individualiseren? Want bij ongelijk werk past toch ongelijk loon? Oh ja, nog vergeten: desyndicaliseren, de invloed van de vakbonden op de loonvorming afzwakken. Dit klinkt wat sloganesk. Juist, omdat ik niet meer doe dan de slogans overnemen uit de “roadmap” van Ecfin en ECB voor de structurele hervorming van de arbeidsmarkt.

Treeplankrijders

En denk dus ook niet dat je hun ideologische honger gaat stillen door de index op te offeren. Want in één beweging beuken ze ook in op ons stelsel van algemeen verbindend verklaring van cao’s. De indexering mag dan een van de belangrijkste verworvenheden zijn van ons model van sociaal overleg, de algemeen verbindend verklaring van cao’s is er – samen met de hoge representativiteit van werkgevers –en werknemersorganisaties – een van de belangrijkste steunpilaren van.

Wat is dat ook al weer? Je onderhandelt interprofessioneel en professioneel niet enkel voor de aangesloten leden. Vakbonden onderhandelen interprofessioneel en sectoraal ook indexeringen en loonsverhogingen voor de niet-gesyndiceerden. En werkgeversorganisaties onderhandelen ook voor de bedrijven die geen lidgeld betalen. Maar om het resultaat van de onderhandelingen te kunnen overzetten op de treeplankrijders onder werkgevers en werknemers moet de overheid tussenkomen.

De wetgever deed dat al voor een belangrijk deel via de cao-wet. Maar voor elke aparte interprofessionele of sectorale cao moet ook nog eens de regering tussenkomen, via de zgn. algemeen verbindend verklaring van een cao bij Koninklijk Besluit. Zonder die ingrepen kunnen de niet-aangesloten bedrijven altijd aan de centrale cao ontsnappen door de individuele werknemers te laten afzien van bepaalde cao-voordelen. De toepassing erga omnes, heet dat in juristentaal. Wat een rigiditeit, heet dat in Ecfin-taal. De index en dan nog eens algemeen verbindende verklaarde centrale afspraken over loonsverhogingen boven index, hoe onmodern kan je zijn.

Consensus

Al is er wel een opvallend verschil tussen die twee pispalen. Terwijl de indexering op Belgisch niveau voortdurend wordt gematrakkeerd, blijft er een redelijk brede consensus over de algemeen verbindend verklaring.

Anders dan in bijvoorbeeld Nederland of Duitsland werd die hier nooit echt in vraag gesteld. Ook niet vanuit de economenwereld. En zeker niet vanuit de (onderhandelende) werkgeverswereld. Afgezien van een oprisping af en toe vanwege de patronale stuurlui aan wal, de werkgeversorganisaties die in het cao-overleg aan de zijlijn staan en nooit enige verantwoordelijkheid hebben moeten nemen.

Die roerende consensus maakte ook dat overheid partners (werkgevers én vakbonden) al die jaren actief zijn blijven samenwerken om dit model van centraal cao-overleg met brede dekking verder uit te bouwen. Met overigens magnifieke resultaten, althans vanuit het oogpunt van wie geen puistjes krijgt van centrale, solidaire afspraken. Die verdienste zou eens goed moeten worden gemeten. Normaal is dat werk voor arbeidssociologen, maar die zijn alleen nog bezig zijn met de interne arbeidsorganisaties en niet meer met de externe arbeidsverhoudingen. Maar een eerste vingeroefening leert dat we inzake dekkingsgraad bijzonder hoge toppen scheren. Meer nog, als ook alle centrale cao’s voor 2011-2012 de algemeen verbindend verklaring zijn gepasseerd, dan komen we aan een bijna complete dekking. De dekkingsgraad staat voor het aantal werknemers dat is gedekt door een cao (centraal of decentraal). Het is een internationaal aanvaarde maatstaf voor collectieve arbeidsverhoudingen. Die dekkingsgraad kan voor 2011-2012 voorlopig worden geraamd op 98%.

Er zijn nog maar een paar kleine sectoren waar er nog geen sectoraal cao-overleg is: het nieuwe aanvullend paritair comité voor de non-profit en het nog niet samengestelde paritair comité voor de sociale dienstverdelers, zijn de belangrijkste. Zelfs het splinternieuwe paritair comité voor de sociale huisvestingsmaatschappijen heeft zijn eerste sectorakkoord rond, dan nog ineens met een nieuw, automatisch mechanisme van indexering. Eat that. Die 98%, dat is niet enkel een historisch record voor het Belgische model. Maar wellicht ook een wereldrecord. Naast België zit alleen nog Oostenrijk op die eenzame hoogte. En ik vermoed zelfs dat we Oostenrijk hebben ingehaald. Hetgeen nog maar eens bevestigt hoe commentatoren zich telkens weer vergissen wanneer ze de moeilijkheden om tot een interprofessioneel akkoord (IPA) te komen, zien als pars pro toto zien voor de levensvatbaarheid van het totaalmodel van sociaal overleg.

Keizer Koster

Ik voegde daarnet bewust toe dat dit niet enkel de verdienste is van de sociale partners, maar ook van de opeenvolgende Ministers van Werk. Om nu te kunnen toevoegen: of liever, was. Want de nieuwe Minister van Werk lijkt goed bezig om dit model van solidair overleg in de vernieling te rijden. Ik durf aan te nemen dat dit niet de bedoeling is. Zeker niet voor iemand die – zoals we bij haar aantreden mochten ervaren – nog weet wat misère is en hoe belangrijk het is mensen uit de armoede te houden. In de visbokaal van de Wetstraat was dat al meermaals een verademing. Maar als het niet in de bedoeling ligt, dan dreigt dit wel het resultaat te zijn te worden van de wijze waarop ze flinks de strijd tegen overschrijding van de loonnorm aangaat. Daarin kennelijk ook opgejaagd door de interprofessionele werkgeversorganisaties.

Dat verdient een woordje uitleg. Doordat de andere vakbonden het ontwerp van IPA voor 2011-2012 afschoten, zadelde de regering ons op met een reglementaire loonnorm: niks boven index in 2011 en 0.3% loonsverhoging boven index in 2012. Voor 2013-2014 zit zelfs een ontwerp-IPA er niet in. En dus krijgen we weldra een nieuw KB, waarvan de regering al aankondigde dat er (tenzij voor de interprofessionele minimumlonen en de collectieve bonussen) niks gaat kunnen boven index tot eind 2014. De sectorale onderhandelaars hebben die 0.3%-norm voor 2011-2012 in globo netjes gerespecteerd. De sectorale barema’s zijn de afgelopen twee jaar gemiddeld maar met 0.24 à 0.25% gestegen boven index.

Mission accomplished, zou je dan, vanuit regeringsstandpunt, kunnen stellen. Maar neen, de Minister vond niet beter dan, in pure Keizer Koster-stijl, met de luizenkam al die cao’s tegen het licht te houden. Om na te gaan of er niks inzat dat toch niet een beetje lijkt op een overschrijding van de loonnorm. Waarbij dan nog eenzijdig de sector-cao’s werden aangepakt die voor algemeen verbindend verklaring voorlagen. Met andere woorden: een eenzijdige aanpak van de beste cao’s, zowel vanuit sociaal als economisch oogpunt.

Eenzijdige aanpak

Want het zijn enkel die algemeen verbindende verklaarde cao’s die de garantie bieden dat ook de werknemers die het zwakst staan, die in de bedrijven zonder syndicale aanwezigheid, in hoofdzaak KMO’s, meegetrokken worden in de sociale verbeteringen. Het zijn enkel deze cao’s die werkelijk ook kunnen bijdragen tot het afremmen of terugdringen van de groeiende ongelijkheid in lonen en andere voordelen. En het zijn vooral dezen die – zoals is gebleken – de beste garantie bieden voor een beheerste loonkostontwikkeling. Terwijl al de rest ongemoeid wordt gelaten. Terwijl ieder weet dat de flagrante schendingen van de loonnorm zich op bedrijfsvlak voordoen; en dan nog vaak buiten cao-overleg om. We willen ze de kost niet geven (we zouden dat ook niet kunnen), al die kaderleden en managers die in strijd met de loonnorm in volle crisis toch fikse loonsverhogingen kregen.

Meer nog, nog voor de nieuwe loonnorm voor 2013-2014 er is, begint de Minister al moeilijk te doen over loonsverhogingen voor 2013-2014 die al in tempore non suspecto waren afgesproken. Met opnieuw een karrevracht cao’s die dreigen te worden teruggestuurd. Niet zelden gaat het daarbij zelfs om afspraken die al jaren geleden werden gemaakt, maar waar een gefaseerde uitvoering werd gepland. Dan gedraag je je verantwoordelijk. Dan hou je rekening met de moeilijkheden voor de werkgevers om in één keer een loonsverhoging door te voeren en aanvaard je een gefaseerde aanpak. En dan is het weer niet goed. Erger, dan heb je jezelf in de voet geschoten door zo’n fasering indertijd te aanvaarden.

Geen vuiltje aan de lucht

Nu, uiteindelijk zal de soep niet zo heet worden opgediend. Dat is voor 2011-2012 inmiddels ook gebleken. Voor ongeveer alle kwestieuze cao’s heeft de Minister moeten vaststellen dat er geen vuiltje aan de lucht is. En dat zal voor 2013-2014 niet anders zijn. Omdat het niet anders kan. Vroeg of laat (maar de ervaring leert dat het wellicht laat zal zijn) zal men ook voor die cao’s tot het besef moeten komen dat er geen weg terug is. Die loonsverhogingen zijn vroeger, op basis van het toenmalige wettelijke, reglementaire en/of conventionele kader overeengekomen, als onderdeel van een evenwichtsoefening, daarin vaak ook leuke dingen voor de werkgevers. Je kunt nu toch niet eenzijdig één onderdeel uit dat pakket lichten zonder de hele balans te verstoren? Ook al heeft deze regering intussen al een ruime ervaring met contractbreuken. En dat nog los van de totale onzekerheid over wat nu binnenkort aan koopkrachtbehoud, koopkrachtherstel of koopkrachtverbetering gaat kunnen worden onderhandeld.

Echter, zelfs als we die hangende dossiers vlot krijgen, dan is in elk geval al zware schade aangericht. Omdat al die heisa rond die sectorakkoorden geheel nodeloos zeer veel negatieve energie heeft opgewekt. Hetgeen ook afstraalde op de interprofessionele onderhandelingen. En dat bovenop de sociale onrust veroorzaakt door de economische crisis, de saneringen, de golf van herstructureringen.

Waarom nog collectieve afspraken maken?

Maar waardoor ook ons model van sectoraal, solidair overleg zwaar onder druk dreigt te komen. Want, is de redenering, waarom zouden we nog algemeen verbindend verklaring vragen van sector-cao’s, want dat is problemen zoeken? Laat ons sector-cao’s maken zonder algemeen verbindend verklaring. Of nog beter, laat ons op bedrijfsvlak onderhandelen, buiten de spotlichten. Of meer nog, waarom nog collectieve afspraken maken? Want ook al mag het op papier niet, het risico om tegen de lamp te lopen voor individuele verhogingen is de facto nihil. En moest je daar toch schrik voor hebben, geef de functie dan een andere naam, liefst iets in het Engels, dat is trendy. Want loonsverhoging door functiewijziging, dat kan perfect. Je moet toch niet gestudeerd hebben om te zien wie de dupe gaat zijn. Niet de high potentials op de arbeidsmarkt, want die staan wel hun mannetje in de individuele loononderhandelingen. En niet de werknemers in de grote bedrijven, met vakbondsaanwezigheid. Maar wel de werknemers die het zwakst staan, meest de werknemers voor wie de jobs niet voor het rapen liggen en/of de werknemers in de KMO’s.

Chris Serroyen

(De auteur is hoofd van de ACV-studiedienst.)

@Allen reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

De schok

02 / 02 / 2013
‘We gaan in 2014 naar een totale, ongeziene confrontatie. De N-VA is een partij die na de verkiezingen een moment wil zoals we dat nog nooit hebben gekend.’ Alzo sprak Bart De Wever in De Standaard. Bij N-VA pompen ze het belang van 2014 nog meer op dan die verkiezingen al hebben. Daar willen ze van 2014 zo’n groot momentum maken, precies om hun baseline van partij van de ommekeer in de verf te zetten. De tegenstrategie is evident: niet meegaan in deze dramatisering. Deze verkiezingen zien als andere verkiezingen, niet meer of niet min. Het debat naar concrete, inhoudelijke dossiers terugbrengen.

Een deuk

Op dat punt kwam N-VA zichzelf wat tegen. Door het verzet van Open VLD sleepte de zaak Briers zo lang aan, dat het beeld dat N-VA (in deze zaak, bij uitbreiding bij politieke benoeming en bij uitbreiding in alle zaken) ‘anders dan de anderen’ is, ondertussen beschadigd werd. Ook in de Antwerpse schooloorlog kwam N-VA niet ongeschonden uit de gênante strijd. Als Vlaamse regeringspartij keurde ze goed wat ze in Antwerpen zo fel bestreed. De Wever zag er zelfs een wraak van Smet in, maar zijn eigen ministers waren akkoord gegaan met de schoolbouwbeslissing. En twee keer kwam ‘KP de MP’ daar als makelaar van de oplossing naar voor.

KP de MP

Peeters lanceerde deze week nog een interessant idee, verscholen in een tweet: ‘Bellens legt in buitenland uit waarom België industrie doodt. Groteske veralgemening. Maar waarom niet praten over regionalisering Belgacom?’ Peeters dacht daarbij niet aan het opdelen van het bedrijf, maar aan het herverdelen van de aandelen. De Belgische staat is meerderheidsaandeelhouder en heeft recht op 56% van de dividenden. Een boel geld. Via een wet van 1991 kunnen langs een nieuwe aandeelhoudersovereenkomst ook de deelstaten aandeelhouder worden, door een pakket over te nemen van de federale overheid. Zo kan de armlastige federale overheid bv. aandelen in plaats van geld overdragen in het kader van de nakende staatshervorming, en hebben de deelstaten meer te zeggen in Belgacom. Want met bv. regionale televisie, de regionalisering van de telecomwetgeving, of bv. de discussie over het G4-net valt ook iets te zeggen voor meer inspraak van de deelstaten in dit strategisch bedrijf. Dezelfde logica geldt voor de NMBS, die raakt aan zoveel regionale bevoegdheden. De PS ziet het niet zitten, maar de vraag is gesteld.

Zeggen wat anderen denken

Een onvoorzien effect van de uitval van Bellens. Hij spuugde in de hand die hem (over)voedt en gebruikte daarvoor een bekend retorisch trucje: hij legde anderen in de mond wat hij misschien zelf wou zeggen. Volgens Bellens staat België in het buitenland bekend als een land dat graag bedrijven dood doet. Neen, dat zegt Bellens dus niet zelf, hij zegt alleen wat anderen denken.

Zeggen wat anderen denken, en dat vervolgens als paraplu opentrekken tegen eventuele kritiek, is een populair vertelstijl in de Wetstraat. Ook bij journalisten: ‘ze zeggen dat u …’. Een techniek die risico’s niet uitsluit. Zo ondervond Unizo-topman Van Eetvelt dat hij niet zomaar luidop alles kan herhalen wat sommige van zijn leden hem toevertrouwen.

Van Eetvelt

Karel Van Eetvelt nam in de Nederlandse krant Het Financieele Dagblad geen blad voor de mond. ‘Nochtans heb ik alleen maar gesignaleerd wat er leeft bij een groot deel van onze leden. Ik ben de spreekbuis geweest van hun groeiende onrust, van hun ongeduld en hun frustratie’ zegt hij vandaag in Het Laatste Nieuws. Een verantwoordelijkheid die hij met verve vervult. Alleen: moet een sterkhouder van het (ontgoochelende) sociaal overleg en een gezaghebbende stem over sociaal-economische materies zich soms niet wat meer bewust zijn van andere verantwoordelijkheden? De megafoonfunctie is slechts één van de vele die zo’n belangenvertegenwoordiger moet vervullen. Zo iemand kan ook té luid roepen.

De druk vanuit de ondernemerswereld om volgend jaar wel een coalitie te krijgen die werk maakt van veranderingen, zal zeer groot zijn. Ik ben er bijna zeker van dat zij het ook zullen laten voelen als de politiek liever snel een kabinet vormt met partijen die verandering in de weg staan. Ik durf mijn handen niet in het vuur te steken voor de economische gevolgen daarvan.” Volgens de Unizo-chef gaan ‘de ondernemers’ het ‘laten voelen’ als er een regering komt die hun veranderingen ‘in de weg staan’ en hij durft ‘zijn handen niet in het te vuur steken’ voor de mogelijke gevolgen. Hoe moeten we dat zien?

Een schok organiseren

Denk aan Spanje. Daar valt een bank om, met catastrofale gevolgen voor de staatsfinanciën. Dan verandert er iets; dat moet wel. Dat zou hier ook kunnen gebeuren, bijvoorbeeld met Dexia. Ik heb vorige week ondernemers voor het eerst horen zeggen: laat ons ook zo’n schok organiseren. Dat is redelijk dramatisch. Ik zei: jongens, dat zijn scenario’s die je niet moet nastreven. Je creëert armoede en sociale onrust en dat is voor een ondernemer ook geen leuke omgeving. Maar zij zeiden dat er echt iets moet veranderen, anders is het niet meer de moeite waard om te ondernemen. Ze zien niet meer genoeg potentieel om in Vlaanderen te kunnen groeien.”

Van Eetvelt heeft nergens gepleit voor zo’n radicale ondermijning van democratie en economie. Meer nog, het is een scenario dat zijn leden – de ‘jongens’ – volgens hem niet moeten nastreven, wegens o.a. ‘geen leuke omgeving’ voor ondernemers. Hij raadt een Spaans scenario af. Men mag zeggen dat de staatsman-vertegenwoordiger hier enkel laat horen wat zijn leden denken, maar in de ondertoon klinkt ook, niet eens subtiel, een waarschuwing voor komend onheil. Het lijkt wel morele chantage. Stel dat vakbondsleiders meedelen dat veel van hun leden hen opbellen met de vraag of ze niet samen met een paar duizend metallo’s het parlement en enkele bedrijfszetels zouden bestormen, als straks hervormingen niet naar hun zin zijn … Terecht is het kot te klein, zelfs als de vakbondsleider dat enkel maar als een theoretische mogelijkheid poneren en het hun ‘jongens’ afraden. Dan nog. Wat moeten we daar dan mee? Wie op dat niveau zoiets zegt moet weten dat dat nooit helemaal onschuldig is. Het is ook slechte communicatie: nu gaat het debat niet zozeer over wat hij echt wou zeggen, maar over die dreigende scenario’s waar sommige van zijn leden aan denken. Die komen er ook uit als onverantwoordelijk: wie droomt nu van een beetje chaos?

Van Eetvelt ziet bovendien een politieke agenda: “Tien jaar geleden was nationalisme geen issue bij ondernemers, maar dit is nu de belangrijkste kwestie. Ik krijg telefoontjes van ondernemers, en niet de minsten, die mij vragen gesprekken op te zetten met de N-VA van Bart De Wever. Op die partij is hun hoop gevestigd. Veel ondernemers denken dat de N-VA de enige is die iets kan veranderen. Alle andere partijen zullen compromissen blijven sluiten met de PS.” Compromissen sluiten met de PS, zoals CD&V, Open VLD en sp.a doen, dat is dus per definitie verloren moeite, alleen met N-VA regeren heeft zin, besluiten velen daaruit. Daarmee geeft Van Eetvelt de indruk dat hij de beweging die Unizo onder Kris Peeters maakte weer ongedaan maakt. Die vorige topman liet in mei 2000 de naam NCMV vervangen door Unizo. Zou wou Peeters o.a. illustreren dat de organisatie ook in de beeldvorming los kwam van CVP.

Enkel beeldvorming?

Dat Unizo naar N-VA opschuift is misschien alleen beeldvorming, maar het is voor een topman van een belangenorganisatie die met velen moet overeenkomen (ook binnen Unizo) niet verstandig om dat beeld zelf met zoveel aplomb op te trekken. De vertegenwoordiger, die als sociale partner ook een grote verantwoordelijkheid draagt in het beleid van dit land, had de bezorgdheden van zijn leden ook omzichtiger kunnen formuleren. Zijn interview veroorzaakte een schokje, over hem en wat sommige ondernemers denken, minder over de kern van de zaak. Zijn mededeling dat de druk vanuit de ondernemerswereld op de coalitievorming zeer groot zal zijn, smaakt wat bitter. Hoeveel invloed gunnen hij en de ‘jongens’ de democratische spelregels nog?

Natuurlijk moet Van Eetvelt spreekbuis zijn, en hij doet dat met verve. Maar een man met zijn verantwoordelijkheid moet met enige voorzichtigheid en voorzorg communiceren. Dat geldt ook voor Steven Van Ackere. Wie op de leidende plek woont waar Bellens, Van Eetvelt of Vanackere verblijven, heeft immers een bijzondere verantwoordelijkheid t.o.v. zij die geleid worden: dat veronderstelt ook een zekere stijl, die eerlijkheid combineert met voorzichtigheid, het voorzorgprincipe met openheid.

Vanackere

Al distantieerde Vanackere er zich achteraf (bv. in Villa Politica) van, de pensioenuitspraken (liefst in deze legislatuur nog een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd) die hij in Le Soir deed veroorzaakten een beetje ophef. Al hadden we dat alweer, alweer verkeerd begrepen. Nochtans niet bij Le Soir. Op twitter liet journaliste Véronique Lamquin van Le Soir weten: ‘Au cas où… L’itw de S. Vanackere a été enregistrée. Et relue par le cabinet. #pensions #LeSoir’. Opgenomen en nagelezen. Niet fout geciteerd dus. Een minister van zijn stand moet dus wat beter nadenken als hij wat zegt. Of iets minder woorden gebruiken.

Vanackere heeft veel interessante meningen. Als vice-premier en top-CD&V’er is het ook zijn taak om de visie van zijn partij naar buiten te brengen. Al horen we hem inderdaad meer als vice-premier dan als minister van Financiën. Hij spreekt meer over andere bevoegdheden dan de zijne, minder over hervormingen op financiën. Het nieuwe fiscale pact heeft hij eigenhandig naar de volgende regering geduwd. Van de fiscus, geen nieuws. Na Reynders is dat helaas niet automatisch gelijk aan goed nieuws. Maar donderdag liep hij in het parlement op het randje.

Arco-Belfius

Hij weigerde uitleg te geven over het intense commerciële verkeer tussen Arco (de financiële tak van het ACW, die er mee voor zorgde dat Dexia een soort hedge fund werd) en Belfius (de staatsbank, die dankzij veel, veel belastinggeld uit Dexia gesleurd kon worden waarvoor de Belgen nog lang garant moeten staan). Vanackere legt het nochtans graag uit. Een van zijn ouders stond in het onderwijs, zo verklaart hij dat zelf. Hij wou dan wel geen uitleg geven over de lopende onderhandelingen tussen Arco en Belfius (over de winstbewijzen en het feit dat Belfius Elia-aandelen van Arco overkocht), maar hij wou Open VLD uitleggen wat de principes van corporate governance zijn, zoals die ook door de OESO worden bepleit. Die uitleg was nodig gezien Open VLD vragen had bij de onderhandelingen tussen Arco en Belfius.

Communicatie

Wie heeft daar geen vragen bij? Velen zijn boos, zelfs woedend over al die ingewikkelde trafiek tussen Arco en Belfius, waarbij stellig de indruk ontstaat dat de christelijke arbeidersbeweging via belastinggeld haar financiële put probeert te dichten, nadat haar eigen speculatief gedrag mee verantwoordelijk was voor het faillissement van Dexia dat ons allemaal al zoveel geld heeft gekost. Om die ongerustheid, dat wantrouwen weg te nemen zou enige communicatie helpen. En dat is geen kwestie van populisme, nl. dat een minister de rechtsstaat of duur klinkende principes moet schenden om het volk ter wille te zijn. Respect voor corporate governance is nodig, respect voor de burgers die er de kosten van moeten dragen ook.

Volgens Vanackere kan hij geen details verstrekken over de lopende onderhandelingen tussen private partners waar de politiek zich moet afhouden. En gelijk heeft hij. De politici moeten zich niet met die concrete zakendeals bemoeien, daar ging het vroeger vaak mis, en geen vertrouwelijke onderhandelingen verraden. Maar tussen dat en het parlement, dus het volk, elke informatie onthouden ligt een grote afstand. Want als er zaken gebeuren die niet kunnen of grote miserie veroorzaken, wie mag dan achteraf de kosten voor de opkuis dragen? Inderdaad, de belastingbetaler. Die blijft ondertussen in het ongewisse, hopend dat hij straks niet wordt aangesproken.

Een dieptepunt

Vanackere zei dat dit geen zaak van het parlementair debat is. Echt. Dat is het nochtans zeker wel. Dexia werd in het parlement gered, de garanties voor Arco werden daar goedgekeurd, Belfius zag dankzij de beslissing van het parlement om daar veel belastinggeld in te steken het licht, enz. Maar nu weigert Vanackere over zijn eigen belangrijkste bevoegdheid meer klaarheid te geven, onder het mom van corporate governance? Wat dan met democratic government? Het is een dieptepunt in de parlementaire democratie dat in 2014 velen zich nog zullen herinneren.

In de ‘ongeziene confrontatie’ die er in 2014 misschien komt, zou de zaak Arco wel eens haar politieke afrekening kunnen krijgen. Dan betalen de Vanackere’s van deze wereld misschien de electorale prijs.

Carl Devos

(De auteur is politoloog aan de Gentse universiteit.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

Hoe (on)bereikbaar is de onbereikbaarheid?

01 / 02 / 2013

Moet jij altijd bereikbaar zijn voor je werkgever? Vertrekkende van deze vraag schetst correspondent Rob Savelberg in De Ochtend op Radio 1 een ontluisterend beeld van de Duitse werknemer. Een Duitse werknemer die gebukt gaat onder stress, veroorzaakt door het altijd bereikbaar moeten zijn voor werkgever, collega’s en cliënteel.

Technostress

Dat het fenomeen bij onze oosterburen stilaan nationale proporties heeft aangenomen, moge duidelijk zijn: niet enkel werd het recht op onbereikbaarheid (in de vrije tijd) de voorbije jaren in verschillende grote bedrijven, zoals Deutsche Telekom, Henkel en Volkswagen, formeel verankerd. Begin 2012 presenteerde de Duitse Minister van Arbeid zelfs een wetsvoorstel ter bescherming van werknemers tegen teveel stress door permanente bereikbaarheid.

Technostress is dan ook geen akefietje. Bij nagenoeg 80% van de betrokken werknemers leidt de druk om altijd bereikbaar te zijn tot een absolute vervaging van de grenzen tussen de werk- en de privésfeer. Naast relationele problemen brengt dit steeds vaker fysieke en psychosociale klachten met zich mee. De menselijke, maatschappelijk en economische prijs die werknemers en bedrijven betalen voor de permanente bereikbaar doet stilaan vragen rijzen bij de opportuniteit ervan.

Technostress is spijtig genoeg geen fenomeen voorbehouden aan Duitse Strebers. Een Vacature-enquete van vorig jaar toont aan dat 2/3e van de Belgische kantoormedewerkers thuis toegang heeft tot de bedrijfsmail; de helft van hen kan van thuis uit op het bedrijfsnetwerk; en 1 op 4 gebruikt een smartphone, PDA of Blackberry van het bedrijf. Tegelijk blijkt dat één op vijf Belgische werknemers de burn-out nabij is…

Concurreren met workaholics

Afzetten die ploat dan maar? Unpluggen en de privésfeer veilig afgrendelen voor professionele intrusies lijkt eenvoudiger dan het in werkelijkheid is. Werknemers hebben immers zelden de vrije keuze al dan niet te opteren voor een toestand van permanente oproepbaarheid. In de meeste bedrijven worden de wachtdiensten immers contractueel verankerd. En buiten de wachtdiensten en het normale werkrooster spelen verschillende mechanismen die de vrije wil van de werknemer wel erg relatief maken.

Neem nu het tijdconcurrentiemechanisme, werknemers die in deze moeilijke economische tijden met mekaar concurreren voor bonussen, promoties, jobbehoud door de inzet van extra prestaties buiten de normale werktijd. De grootste workaholic zet hierbij meteen de standaard voor de evaluatie van de volledig groep.

Of het crisismechanisme, waarbij de werknemer als gevolg van een (te) grote werkdruk en langs talloze kanalen binnenklaterende opdrachtenstroom, de greep op zijn arbeid verliest en een voortdurende strijd moet leveren om met het hoofd boven water te blijven. Overwerk en rusteloosheid zijn logische afgeleiden van deze (in het bedrijfsleven van vandaag breed verspreide) mechanismen.

20% extra dagen

Is het bedrijfsleven in staat tot zelfregulering op dit vlak? De enkele good practices buiten beschouwing gelaten, stellen we vast dat in vele bedrijven nog steeds de (vermeende) korte termijnbaten het interne beleid bepalen. Geheel verwonderlijk is dit niet.

Brits onderzoek toont immers aan dat permanente bereikbaarheid per werknemer jaarlijks gemiddeld zo’n 20 extra werkdagen oplevert. En vallen er enkelen na verloop van tijd uit door burn-out, depressies, hart- en vaatziekten, dan is dit meteen een zorg voor de sociale zekerheid. Privatisering van de baten, solidarisering van de lasten…

Nieuwe tijden, nieuwe recepten

De ayatolla’s van het Nieuwe Werken, ze orakelen de nakende doorbraak van het tijd- en plaatsongebonden werken, alsof de poorten van het arbeidersparadijs eindelijk geopend worden. Ze laten evenwel na te pleiten voor concrete maatregelen tegen technostress, tegen de professionalisering van de privé-sfeer, tegen het geleidelijk en ongemerkt oprekken van de arbeidsduur.

Arbeidsduur en de grenzen hieraan, dát is overigens waar het hier in wezen om draait. De inzet van werknemers wordt in België wettelijk begrensd, zij het niet voor ‘nieuwe werkers’, niet voor ‘vrijwillige’ overwerkers, niet vertrouwenspersoneel, niet (althans volgens bepaalde rechters) voor wacht- en beschikbaarheidsprestaties buiten de onderneming.

Wil de door de regering aangekondigde modernisering van de arbeidsmarkt maatschappelijk werkelijk relevant zijn, dan past het hiervoor bijzonder aandachtig te zijn. Bij het balanceren van de werk- en de privésfeer volstaat het in deze Nieuwe tijden immers niet meer terug te grijpen naar Oude recepten.

Peter Tierens

(De auteur is jurist bij de studiedienst van de christelijke bediendenvakbond LBC.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

De truc van het ACW

We trekken weer grote ogen bij de koppen in de kranten zoals ‘Arco eist miljoenen van Belfius’ en ‘ACW krijgt riante rente van Belfius’.. En vandaag is het er bericht dat het deze deal rond is. Het schouwspel over de miljoenenclaim enerzijds en anderzijds de winstbewijzen (die het ACW heeft laten omzetten in een eeuwigdurende lening tegenover Belfius) is in elk geval ontluisterend. 

Geen enkele claim goed te praten

Laat me kort ingaan op die winstbewijzen. Het opzet is om zelfs na het faillissement van Dexia toch nog een periodieke vergoeding los te weken. Dit kan perfect met een jaarlijkse coupon loopt zelfs zou kunnen oplopen tot 6,25 procent, zoals vandaag blijkt.

De fundamentele vraag is of daar ook maar enige rechtvaardiging voor kan worden gevonden. De enige reden waarom er nog een schim van het vroegere Dexia overeind kon worden gehouden - in de vorm van Belfius - zijn de inspanningen van de belastingbetalers. Als dat zo is, dan valt er geen enkele claim meer goed te praten op basis van historische afspraken. Dit geldt zowel voor de aandeelhouders van het ter ziele gegane Dexia als voor het ACW.

Arco mee verantwoordelijk

De eis om ook nu een trekkingsrecht te krijgen op de staatsbank krijgt nog een grimmiger trekje als je kijkt naar de verantwoordelijkheid van de Arcoholding in het Dexiaverhaal. Vier jaar geleden werd al wie Dexia geen bank meer, maar een hefboomfonds noemde nog scheef bekeken. Vandaag is dat niet meer het geval. 

Dexia-Voorzitter Dehaene voerde dat immers zélf aan als excuus waarom hij niet in zijn opdracht kon slagen. Dan is uiteraard de vraag wie het zover liet komen dat een spaarbank waar mensen hun centen aan toevertrouwden omgevormd werd tot een hedge fund.

Dan moeten we uiteraard kijken naar de top van de bank zoals ex-CEO Pierre Richard, maar ook naar de bestuurders zoals Arco. Als referentieaandeelhouders hadden ze een immense verantwoordelijkheid, want het spaargeld dat in ons land ingezameld werd via Dexia Bank werd mooi overgedragen aan Dexia Holding. De huidige vereffening van Arco wordt bijvoorbeeld nog steeds behandeld door Francine Swiggers die persoonlijk in het auditcomité zat van Dexia Crédit Local waar de grootste ontsporingen plaatsvonden.

Het drama van de parlementaire onderzoekscommissie

Ondertussen hebben we ook een parlementaire commissie gehad die een mooi rapport afleverde met alle verantwoordelijkheden. Zo staat netjes beschreven hoe, terwijl het overleven van de groep op het spel stond, de bestuurders van Arco (maar ook de Gemeentelijke Holding) nog steeds niet-liquide activa van de hand wilden doen omdat men vooral bezorgd was over de dividenden. Op een ogenlik dat het land in gevaar werd gebracht - molensteen Dexia om de nek - werd het staatsbelang nog steeds ondergeschikt bevonden aan het private belang van enkelen.

Het drama van de parlementaire commissie is dat de experts paragrafen wilden toevoegen om de aanbeveling te geven strafvordering in te stellen tegen vroegere directie én bestuurders. Stukjes die sneuvelden in het laatste weekend voor publicatie. Destijds heb ik er al op gewezen dat dit een zware inschattingsfout ten nadele van de Belgische bevolking kon zijn, maar tot op heden blijft de Arco-groep ontkennen dat ze verantwoordelijk waren voor het creëren van het monster Dexia.

Zoals in Italiaanse films

We zijn veel gewoon in dit land maar dit verhaal heeft de grenzen van het onvatbare bereikt. Impliciet wordt nu gezegd dat indien Arco geen vergoeding meer krijgt, het niet kan “garanderen” dat de spaarders van haar achterban de bank niet zullen verlaten. Dit is tussen de lijnen dreigen met een bankrun.

En dan komen we tot de vaststelling dat het blijkbare gewone kost is geworden dat men de belastingbetaler kan afdreigen. Of nog: eigenlijk moet de belastingbetaler betalen opdat Arco geen misdaad zou begaan door op te roepen tot een bankrun. Feitelijk is dit niet meer of niet minder dan de eis tot protectiegeld, zoals in de betere Italiaanse films voorkomt.

In tijden van crisis komen altijd excessen boven van de voorgaande jaren. En het zijn er nu heel wat.
Dit zijn de momenten waarop de sterkte van de democratie getest wordt. Zijn we in staat om met de zwarte bladzijden uit onze geschiedenis fatsoenlijk om te gaan?

Nestbevuilers

Persoonlijk ken ik de sociale beweging rond het ACW van jongsaf. Er gebeuren veel goede zaken door vrijwilligers en medewerkers aan de basis. In plaats van uit kadaverdiscipline te zwijgen, zou ik hen willen vragen aan hun hiërarchie te vragen om tot bezinning te komen en na te denken over wat er is misgelopen. Om een nieuwe start te maken, zodat ze opnieuw ondubbelzinnig een morele factor ten goede kunnen zijn in ons land.

Maar zoals het ook gaat in dit land: wie dergelijke kritische evaluaties vandaag maken, merken frequent dat ze ofwel als nestbevuilers beschouwd worden ofwel dat ze compleet genegeerd worden.

Zullen ze pas over tien jaar gelijk krijgen, een beetje zoals de klokkenluiders in de zaak-Armstrong? Of om Carl Devos te parafraseren: dit wordt later, over een jaar of twintig, een klassieke case in de lessen politicologie, over hoe anno 2013 politieke partijen het geld van de gemeenschap mochten gebruiken om hun achterban te compenseren voor financieel verlies. Later dus, nu ligt het te gevoelig voor the powers that be.

Ivan Van de Cloot

(De auteur is hoofdeconoom bij de denktank Itinera Institute.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

De Lijn, kosteloos vervoer op de schop?

31 / 01 / 2013

Het besparingsspook waart weer door het land. Ondanks de overschotten op de Vlaamse begroting 2012 zoekt de Vlaamse regering nu al extra middelen voor de begrotingscontrole 2013, onder andere bij De Lijn.

Gratis voor 65-plus?

De besparingen bij De Lijn zijn al enkele jaren bezig. De reizigers in Mechelen, Antwerpen of Gent – en bij uitbreiding heel Vlaanderen – hebben dit al aan de lijve mogen ondervinden. De dienstverlening werd afgebouwd en met de derdebetalersregelingen heeft men hier en daar nog snel- of nachtbussen kunnen redden, maar de plafonnering van het aantal reizigers geeft hierbij een duidelijk signaal.

Momenteel spitst men zich toe op de tarievendiscussie. Als eerste doelgroep viseert men de 65-plussers die gratis reizen. Men kan zich afvragen waarom men dit systeem op de helling wil zetten. Het heeft immers onmiskenbaar een aantal grote voordelen, waarvan ik er enkele in de verf wil zetten.

Herverdeling

Eerst en vooral blijft het gratisverhaal een herverdelingsverhaal, net zoals we pleiten voor gratis onderwijs, gratis fietspaden of gratis openbare parken. Aan de kostprijs daarvan draagt iedereen via belastingen (min of meer) bij op basis van zijn of haar draagkracht.

Ten tweede pleiten we voor een efficiënte en duurzame mobiliteit. We staan met zijn allen meer dan ooit vast in de file. Investeren in het openbaar vervoer zou één van de belangrijkste prioriteiten moeten zijn om iedereen mobiel en gezond te houden. Vlaanderen zit steeds verlegen voor maatregelen inzake klimaatbeleid, maar openbaar vervoer is één van de meest evidente oplossingen.

Mobiliteitskansen

Ten derde viseert men met de 65-plussers nu net die groep waarvan iedereen beseft dat de mobiliteitskansen afnemen met het ouder worden. We weten dat onze pensioenen tot de laagste van Europa behoren. Daarom is het ook onkies om een bijkomende financiële drempel in te bouwen voor senioren voor het gebruik van het openbaar vervoer. Bovendien moeten 65-plussers op 1 februari 2013 al een prijsstijging slikken van 13% op het seniorenbiljet bij de NMBS. En met de hoge olieprijzen zullen de senioren ook voor hun privévervoer flink in de buidel mogen tasten.

Ten vierde zal het gebruiksgemak van het openbaar vervoer afnemen, terwijl de opbrengst voor De Lijn eerder marginaal zal zijn. De Lijn loopt bijna 3 miljoen euro mis door van anderstalige reclame te weigeren voor films of shampoo. Het is toch wel hemeltergend dat die middelen nu gecompenseerd moeten worden door de senioren.

Slimme besparingen

Vragen wij een stand-stillbeleid? Nee, helemaal niet. We willen gerust het debat aangaan over duurzame mobiliteit. Een efficiënt openbaar vervoer is echter iets anders dan het nut van openbaar vervoer of het recht op basismobiliteit: dat recht is voor ons gelijkwaardig aan het recht op gedegen onderwijs, op wonen, op zorg…

Uit alle interne en externe onderzoeken blijkt dat De Lijn een uiterst efficiënt gerund bedrijf is. Daarom moeten we verder de weg bewandelen van de slimme besparingen door in te zetten op doorstroming, de PPS-projecten te herbekijken, een 80/20-regeling te voorzien voor werknemers naar analogie bij de NMBS enz. Duurzame mobiliteit staat hierbij voorop. En dat bereik je niet door bijkomende drempels in te bouwen voor het openbaar vervoer.

Gewestgrenzen

Terzijde geeft dit nog een andere, bijkomende uitdaging: het samenwerkingsfederalisme. Aangezien mobiliteit niet stopt aan gewest-, gemeenschaps-, of taalgrenzen moeten we het debat aangaan met zowel het Brussels als het Waals gewest. Het kan niet zijn dat reizigers drie verschillende abonnementen moeten kopen om in en rond de gewestgrenzen de zekerheid en het gebruikscomfort te hebben dat ze een bus (van De Lijn, TEC of MIVB) kunnen nemen.

Dat zijn de vragen die De Lijn en bij uitbreiding de Vlaamse regering moet oplossen. Daarbij moet aangetoond worden dat regionalisering ook een meerwaarde kan betekenen voor de gebruiker en geen bijkomende last of hinderpaal is.

Caroline Copers

(De auteur is algemeen secretaris van het Vlaams ABVV.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

Moet een gouverneur een partijkaart hebben ?

30 / 01 / 2013
De Oost-Vlamingen kunnen weer op beide oren slapen : er is gezorgd voor continuïteit. Als André Denys donderdagavond de deur van zijn kantoor sluit, staat zijn opvolger Jan Briers al klaar om zijn taak over te nemen. Zelfs al zou de provincie getroffen worden door zware overstromingen, dan nog staat de gouverneur paraat – inclusief de stevige rubberlaarzen die bij het ambt horen.

Wat heeft Open VLD gewonnen?

Toch kan men zich afvragen wat de Open VLD nu gewonnen heeft door zich een tijdlang te verzetten tegen de kandidatuur van Briers. Er komt dan wel een nieuwe benoemingsprocedure voor provinciegouverneurs, maar hoe die er gaat uitzien blijft voorlopig heel vaag. De parlementsleden krijgen het recht nieuwe kandidaten op de rooster te leggen, voor een soort mondeling examen. Het blijft echter onduidelijk wat men hoopt dat het resultaat zal zijn van een dergelijke hoorzitting.

Idealiter kunnen onbekwame kandidaten dan door de mand vallen en naar huis gestuurd worden. Ook in het Europees Parlement worden dergelijke hoorzittingen gehouden bij de aanstelling van nieuwe commissarissen en zo heel af en toe, gebeurt het dat zo’n kandidaat te licht uitvalt. Voor een flink stuk is dit echter naast de kwestie: in de hele discussie is er nooit enige twijfel geweest over de bekwaamheid van kandidaten. Over het algemeen kiest men ervaren gouverneurs, die al heel wat watertjes doorzwommen hebben. De manier waarop Briers de afgelopen 28 jaar het Festival van Vlaanderen heeft geleid, laat duidelijk zien dat hij in staat is een administratie te runnen. Een mondeling examen meer of minder zou voor hem dus niet veel verschil uitmaken.

Via een wervingsexamen?

Een dergelijke hoorzitting heeft ook alleen maar zin als duidelijk is naar welke kwaliteiten er moet worden gepeild. De gouverneur heeft een aantal duidelijk afgebakende taken, waarbij opdrachten van de federale en de regionale regering gecombineerd worden. Maar die taken moeten niet noodzakelijk door een politicus worden uitgevoerd – integendeel: een goede overheidsmanager zou vaak een betere kandidaat zijn. Als we echt de best mogelijke provinciegouverneurs willen, dan zou men dat beter organiseren via een heus wervingsexamen en dan is het maar af te wachten hoe vaak politici daar als ‘beste’ uit de bus zullen komen.

De verkaveling van het ambt

Het fundamentele probleem met de huidige procedure is niet dat ze zou leiden tot onbekwame gouverneurs, maar het probleem is vooral de partijpolitieke verkaveling van het ambt. De vijf Vlaamse gouverneurs zijn keurig verdeeld over de politieke partijen en partijkleur is belangrijker dan bekwaamheid. Het nieuwe compromis onder de Vlaamse partijen over de toekomstige aanstelling van gouverneurs biedt hiervoor geen oplossing. Of zal men alle partijen een kandidaat laten voorstellen, en mag het parlement dan kiezen wie de beste is? Zoiets lijkt weinig waarschijnlijk, want de partijen zijn niet happig om hun macht zomaar af te geven.

Het ‘overleg’ dat nu beloofd is voor de volgende aanstelling wil dus hoogstwaarschijnlijk gewoon zeggen dat ook de Open VLD dan mag rekenen op een postje. Die partij valt nu helemaal uit de boot. De christen-democraten hebben West-Vlaanderen en Antwerpen; de socialisten hebben Vlaams-Brabant en Limburg, de N-VA Oost-Vlaanderen, en de liberalen blijven met lege handen achter na het vertrek van Denys. De partij is dus waarschijnlijk gepaaid met de belofte dat ze over zes jaar in Oost-Vlaanderen, of over zeven jaar in Vlaams-Brabant wel in de prijzen zal vallen.

Een groot cadeau

Er is echter geen enkele reden waarom een provinciegouverneur een partijpolitiek etiket zou moeten hebben. Integendeel: de kans dat je in Oost-Vlaanderen een bekwame gouverneur zult vinden, wordt veel groter als je niet op voorhand beslist dat die van één bepaalde partij moet zijn. Zo’n volledige depolitisering zit er echter ook nu niet in. Dat heeft weinig te maken met de vereisten van goed bestuur of vakbekwaamheid. Het gouverneurschap blijft gewoon een van de grootste cadeaus die de partijen kunnen uitdelen aan hun politiek personeel. De gouverneur van West-Vlaanderen lijst op zijn website trots alle leden van zijn kabinet op: het gaat om twaalf personen. Een kleine rekensom leert dat een dergelijke hofhouding ongeveer evenveel kost als de jaarlijkse dotatie aan kroonprins Filip. Dat plaatst een en ander toch wel stevig in perspectief.

Zijn ze nog noodzakelijk?

Er woedt al enkele jaren een hevig debat over de vraag of de provincies nog noodzakelijk zijn, nu het gewestelijke bestuursniveau steeds belangrijker wordt. De houding van de politieke partijen is daarin weinig consequent. Ofwel zijn provinciebesturen belangrijk, maar dan zou je ook de best mogelijke kandidaten moeten kiezen om die provincies te leiden. Ofwel zijn provincies helemaal niet belangrijk en kun je ze gerust gebruiken om politieke cadeautjes uit te delen. Maar in dat laatste geval zou het natuurlijk doelmatiger en goedkoper zijn de provincies helemaal af te schaffen.

Marc Hooghe

(De auteur doceert politieke wetenschappen aan de KU Leuven)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Subsidie voor de staalsector?

Uiteindelijk komt het nieuws dat zoveel banen weer op de tocht staan voor weinigen echt als een verrassing. Terecht voelen velen zich vandaag het slachtoffer van een machtsspel dat ver boven hun hoofden gevoerd wordt. Valse hoop creëren is echter ook immoreel. Wat het beleid (en niet alleen vandaag) zou moeten doen is in te zetten op een strategie waardoor we veel minder kwetsbaar worden van wat in buitenlandse hoofdkwartieren bedisseld wordt.

Oude remedies

Dit kan alleen als we beseffen dat voor een kleine economie als de onze de sleutels voor onze toekomst liggen in innovatie. Elk modern industrieel beleid die naam waardig zet dan ook vooral daar op in. Als politici er enkel in crisistijd aandacht voor hebben dan lopen we echter het risico dat er erg veel improvisatie bij komt kijken. Het harde industriële beleid uit het verleden kan in elk geval niet meer. Het ging dan typisch om invoerrechten en belastingvoordelen voor specifieke investeerders allerhande.
Het is zelfs in het belang van ons land dat dergelijke praktijken vandaag niet meer getolereerd worden. Als het immers over het uitdelen van overheidsmanna gaat, zal ons land gegeven zijn beperkte omvang en middelen immers sowieso steeds het onderspit delven.

Geen subsidies

Vandaag lijkt voor ons land de zachtere vormen van industrieel beleid wenselijk en mogelijk. Dergelijk zacht industrieel beleid is in essentie een palet acties waarbij de overheid een belangrijke rol speelt en die erop mikken bij te dragen aan de vernieuwing van economische activiteiten waaraan een groot toekomstig potentieel wordt toegedicht. We spreken dus niet meer over het beleid waarin subsidies gekanaliseerd werden naar hele sectoren.

Ten eerste haalden het toen vaak vooral diegenen die het best konden lobbyen. Ten tweede kwam het geld zo meestal terecht in bedrijven die op hun retour waren en waarvan de doodstrijd enkel wat verlengd werd. Om dat gevaar te vermijden komt het er vooral op aan om niet te vertrekken vanuit een bepaald technologisch favoritisme maar de maatschappelijke behoefte als vertrekpunt te nemen.

Dit zou moeten toelaten dat men niet in een tunnelvisie verzeilt waarbij het beleid bestaat uit het oversubsidiëren van de zonnepanelenindustrie waarbij men vandaag zwart op wit kan aantonen dat dezelfde ecologische baten gerealiseerd hadden kunnen worden tegen 6 miljard euro lagere uitgaven. In plaats van de ene knuffeltechnologie naar de andere te laveren, had men met open blik zich moeten afvragen wat de beste wijze is om een maatschappelijke doelstelling te realiseren (zoals het behalen van een CO2 reductie).

Flexibiliteit

Zeker in tijden waarin technologische en andere maatschappelijke evoluties zo complex en evolutief zijn, is flexibiliteit een must. Dit is allerminst een pleidooi voor opportunisme. De fundamentele doelstelling op vlak van ecologische baten blijft immers verankerd. Het is echter belangrijk dat men de concrete opties die men neemt om de doelstelling te bereiken regelmatig evalueert en durft bijsturen.

Sunrise

In plaats van een defensieve strategie gericht op een structureel krimpende activiteit dient dus offensief ingezet te worden op zogenaamde sunrise-activiteiten. Vervolgens moeten steeds duidelijke doelstellingen opgesteld worden waarbij elke steun vervalt indien deze niet tijdig bereikt worden. Transparantie is hiertoe een levensnoodzakelijke voorwaarde zo niet kan met onvoldoende zekerheid vastgesteld worden dat de evaluatie correct gebeurt.

Cruciaal is uiteraard te beseffen dat succes niet gegarandeerd is en dat het er dus op aan komt om als een project verkeerd afloopt, de kost ervan te minimaliseren. Het komt er dus op aan de winnaars te belonen en de verliezers niet te straffen (maar wel los te laten). De ervaring van de voorbije twintig jaar duidt er duidelijk op dat de achillespees van industrieel beleid vooral de politieke capaciteit betreft om indien de evaluatie negatief

uitvalt, ook effectief tijdig de stekker uit te trekken. Herhalen we nogmaals dat het gaat het werkelijk om het stimuleren van bepaalde toekomstgerichte activiteiten en niet van het bevoordelen van hele sectoren. Dit om te vermijden dat bij onvoldoende afbakening het programma zonder controle uitdijt.

En de staalsector?

Kan in dergelijke strategie sommige activiteiten uit de staalsector een plaats vinden? Indien een fabriek enkel wat extra jaren kan worden opengehouden door overheidssubsidies, maar er geen fundamenteel antwoord volgt op de overcapaciteit en onaangepaste producten van de band blijven rollen dan is het enkel uitstel van executie. Concreet lijkt het evident om vooral te mikken op activiteiten waarvoor er reeds een basis aan kennis en privaat R&D-traditie bestaat.

De textielsector in België is bijvoorbeeld een goed voorbeeld. Het kanaliseren van gemeenschapsgeld naar verlieslatende massatextiel had in ons land geen zin meer. De sector heeft zich ondertussen echter geheroriënteerd op een aantal niches van hoogwaardig textiel die vooral op technologie is geënt. De rol van de overheid bestaat er dan veeleer in kennis samen te brengen en bruggen tussen kenniscentra en bedrijfswereld te faciliteren. Dit is iets heel anders dan het demagogisch oproepen tot het nationaliseren van de fabriek. Hier komen we alleen uit als het beleid even strategisch nadenkt over de golfbewegingen van de economie heen en maatregelen neemt die structureel van aard zijn en niet alleen op korte termijn brandjes blust.

Vandaag zitten we weer in een opbod tussen landen waarbij Duitsland met subsidies haar Opelfabrieken openhoudt en Hollande via politieke druk Arcelor dwingt fabrieken eerder elders te sluiten dan in “la Douce France”. Een ding weten we zeker: als Europa geen weerwerk biedt tegen dergelijk nationalistisch opbod dan zal een land als België steevast verliezen wegens minder middelen dan de grote staten.

Een echt modern beleid zet dus in op het openen van fabrieksdeuren in plaats van met alle macht proberen te verhinderen dat oude fabrieksdeuren gesloten worden.

Ivan Van de Cloot

(De auteur is hoofdeconoom bij de denktank Itinera Institute.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Laatste kans voor een modern ontslagrecht

29 / 01 / 2013
Hoe zou het nog met de het interprofessioneel overleg zijn? Terwijl het onheilstijdingen over sluitingen en herstructureringen regent, werken de top van werkgevers en vakbonden in opmerkelijke stilte aan wat omschreven wordt als de “modernisering van de arbeidsmarkt”. Ik hoop dat ze het menen. Ik hoop dat de ‘sense of urgency’ begint te dagen. Maar ik vrees er voor. In het recente verleden hebben onze ‘sociale partners’ zich vooral als verbeten sociale tegenstanders geprofileerd. Zij die vandaag over de modernisering praten, zijn zelf mee verantwoordelijk voor de veroudering. Zijn de beheerders van het status quo in staat hervormers te zijn?

Het eenheidsstatuut

De onderhandelaars hebben een afspraak met de geschiedenis, en die heet het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden. De verkaveling tussen handenarbeid en intellectuele arbeid op de Belgische arbeidsmarkt is een fossiel uit het begin van de twintigste eeuw. Zij bestaat alleen nog omdat de machtsstructuren van overleg gelijk verkaveld liggen en omwille van de grote kostprijsverschillen in ontslagstatuut. Voor beide factoren was het sociaal overleg altijd het grootste obstakel voor een gelijkschakeling. Kan het obstakel zich thans in hefboom transformeren?

De kans is zeer klein. Een eerdere onderhandelingsslag eindigde in 2011 met een doodgeboren kruideniersakkoord dat het verschil in opzegtermijnen alleen via complexe overgangen, lastenverlaging en subsidiëring overbrugde. Veel complexiteit, weinig verandering, geen visie. Als er nu iets uit de onderhandelingsbus moet vallen, dreigt een variatie van dezelfde steriele weegschaalconstructie. Dat blijkt al uit de publieke standpunten uit beide kampen, die telkens fixeren op de lengte van de opzegtermijnen. Tot zover de modernisering.

Een kantelmoment

De Belgische arbeidsmarkt verdient beter. Iedereen weet onderhand dat carrièrepaden moeten kunnen veranderen, zodat mensen langer aan het werk kunnen blijven. Ontslag is daarbij een belangrijk kantelmoment. Daarom zal moderne ontslagbescherming inzetten op het vinden van de volgende job. Geen zak geld op weg naar de deur; wel een stevig persoonlijk budget voor ondersteuning en begeleiding naar nieuw werk. Het eenheidsstatuut is een unieke kans om van het ontslagrecht een wedertewerkstellingsrecht te maken. Niet de opzegvergoeding, maar het traject naar nieuw werk staat dan centraal. Die focusverandering kan toelaten de eindeloze graaidiscussie over opzegtermijnen en –vergoedingen te ontmijnen.

We moeten het ontslaggeweer daarom van schouder veranderen. Een tijdelijke inkomensgarantie via een opzegvergoeding is nodig. Maar de klemtoon moet vooral liggen op het doorgroeien dat toelaat duurzaam nieuw inkomen te verwerven. Neem nu bedrijfssluitingen zoals bij Ford Genk en Arcelor Mittal Luik. Waarom maanden palaveren over de ontslagpremie waarmee elke getroffen werknemer de wildernis ingaat? Maak daarmee een gemeenschappelijke pool die wordt aangesprokken volgens de noden van elkeen. Wie snel kan doorschakelen naar de volgende baan, hoeft niet te blijven zitten tot er geld uit de lucht valt. Wie het moeilijk heeft, zal veel meer steun kunnen krijgen. Het werkt beter en creëert ook nog solidariteit tussen de getroffenen.

Gelijke opzeg voor iedereen

Is ontslag langs de kassa passeren of de carrière wenden? Voor mij is het antwoord dus duidelijk. De fixatie op de opzegvergoeding is in die optiek een perversie. Het zal aan de regering zijn om de ban te doorbreken. Een gelijke, begrensde, beperkte en voorspelbare opzeg voor iedereen. Maar ook, en vooral, een sterke budgetpijler voor loopbaaninvestering. Andere elementen kunnen die combinatie en de loopbaanlogica nog versterken. Een persoonlijke loopbaanrekening die werkgevers en werknemers stuurt naar systematische loopbaanplanning, met meer investering in opleiding en vorming. Een cofinanciering of prefinanciering van ontslagkosten, vooral bij herstructurering, die vermijdt dat personeelskeuzes bij ontslag arbitrair door de kostprijs worden gedicteerd.

De ingrediënten van een beter ontslagrecht zijn al lang bekend en al in andere landen getest. Het komt er op aan eindelijk de cocktail te maken. De regering moet hierin het initiatief nemen. Tegen uiterlijk 8 juli moet het eenheidsstatuut een feit zijn: dat is de deadline die het Grondwettelijk Hof heeft gesteld. Doen we het goed, dan leggen we de basis van een betere arbeidsmarkt voor iedereen. Doen we het slecht, dan missen we een historische opportuniteit voor hervorming, die niet zal terugkeren. Falen zou geen optie mogen zijn. Succes zou de regering di Rupo bekronen. Het is nu of nooit.

Marc De Vos

(De auteur doceert aan de UGent en is de directeur van de denktank Itinera. Twitter @devosmarc.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

Had u erfenis gezegd?

Stichtingen en schenkingen krijgen nu een gouden kans

Het overlijdensbericht van de Stichting van koningin Fabiola viel samen met het geboortekaartje van een andere. Daags na de krantenkoppen over Fons Pereos stemde de Senaat immers nog twee straffere versies van ‘vermogensplanning’.

Even terugspoelen

Wat vandaag vermogensplanning heet, heeft een boeiende geschiedenis. Vroeger stond daarin niet het leven, maar de dood centraal. In heel wat culturen werden de doodskisten van vandaag – de sarcofagen van gisteren – volgestopt met voedingswaren, geld en kostbaarheden om te helpen overleven in de eeuwigheid. Ook dienaren en dieren gingen gedwee de grafkelder voor goed mee in. Of zoals de echtgenote in het oude India: als teken van trouw levend mee op de brandstapel bij de crematie van haar man.

In een meer nuchtere cultuur werd veeleer voor het leven en het heden gezorgd. Een geur van idealisme kon nog altijd helpen als een soort ‘aflaat’ voor het hiernamaals. De ‘Foundation’ geldt als voorbeeld van hoe de financiële farao’s van Wall Street een vorm van overleving zoeken. Kleine spaarders hebben hun levensverzekering. Stinkend rijke stichters doen het met een ‘overlevensverzekering’: het liefdadig doel waarmee ze bij leven aan public relations doen en nadien herinnerd hopen te worden. Remember Bill Gates.

De nieuwe wet op de bewindvoering van kwetsbare personen

‘Bewindvoering’ beoogt de bescherming van kwetsbaren zoals gehandicapten en dementen die hun centen niet zelf kunnen beredderen: hun belangen worden waargenomen door een ‘bewindvoerder’. De nieuwe versie van die wet pendelt sinds juli vorig jaar tussen Kamer en Senaat.

Twee nieuwe technieken daarin doen alles verbleken wat we Fabiola verweten.
Eén: vanaf nu zullen stichtingen geen naastenliefde meer moeten beogen maar enkel een broekzak-vestzak operatie van de stichters zelf.
Twee, als troostprijs voor wie geen stichting heeft: het wordt eenvoudiger dan ooit een ziek familielid wat lichter te maken voor die aan de laatste reis begint.

Twee kassa-kassa technieken als teken des tijds ? Alleszins twee projecten die niets meer te maken hebben met onthechte liefdadigheid, maar alles met aardse gretigheid.

Rode loper voor stichtingen

De eerste wetswijziging rolt voor stichtingen de rode loper uit. De nieuwe wet maakt een bocht van 180° met de rechtspraak waarin tot nu toe alle rechtspersonen (V.Z.W., stichtingen…) door de meeste vrederechters van een opdracht als bewindvoerder uitgesloten werden. Terechte vrees immers voor een onpersoonlijk bestuur zonder transparantie en echte controle – herinner u de ‘Dode Hand’ waar de Franse Revolutie een einde aan stelde.

In de toekomst zullen stichtingen wél bewindvoerder mogen spelen “op voorwaarde dat zij uitsluitend in het belang van de beschermde persoon handelen”. Vermits die stichtingen in veel gevallen door gefortuneerden zelf opgericht zullen worden in functie van de eigen oude dag, zal zo’n stichting per definitie rechtstreeks en exclusief hun persoonlijke belangen dienen. Met als kers op de taart een fiscaal voordeel bij leven van zodra die ‘vermogensplanning’ al in de startblokken schiet.

Dat is dus nog een stuk sterker dan wat Fabiola wou: niet voor zichzelf maar voor een selectie van familie en vrienden zorgen.

Daarbij verzekert de oprichter nu niet alleen zijn toekomst voor het geval van eigen mentale gezondheidsproblemen maar in een latere fase meteen ook zijn nalatenschap voor vele generaties lang.
Dat zal de fiscus het veelvoud kosten van veel pensioenuitgaven. Nee, geen notionele, maar een eeuwige aftrek.

De geldbeugel van kwetsbare patiënten

De tweede wetswijziging trekt de geldbeugel van kwetsbare patiënten al onmiddellijk open: een stichting is dan niet eens nodig.
Tot dusver voorzag de Bewindvoering dat die wilsafhankelijke patiënten zélf enkel nog een testament konden maken en schenkingen uitdelen wanneer de vrederechter daarvoor hun resterende ‘gezondheid van geest’ vaststelde – een delicate oefening.

Nu zal de wet toelaten dat de bewindvoerder ook “plaatsvervangend” schenkingen zal kunnen uitdelen: zelfs aan zichzelf. Uitgerekend het familielid dat moet waken op de bescherming van de belangen van bv. een Alzheimer patiënt, zal die dus kunnen uitkleden. Ook voor netwerken van stichtingen onderling geeft dat eindeloze perspectieven: inderdaad opnieuw die van voor de val van de Bastille.

Graaicultuur lijkt dus wel geofficialiseerd. Erfenisbejaging wordt de nieuwe olympische sport in familieverband: sneller in tijd, hoger in bedrag, sterker in macht.

Deze wet perverteert het hele systeem van bescherming dat niet om potentiële erfgenamen moet draaien maar om de patiënt in leven. Het riskeert daardoor ook alle familiale bewindvoerders als belanghebbenden verdacht te maken en vrederechters nog meer onder druk te zetten.

Het vergif van dat systeem – in families en in justitie - zal zich slechts met tijd verraden. Verklaar ondertussen de levenden voor dood en begiftig u zelf.

Jan Nolf

(De auteur was bijna 25 jaar vrederechter en is auteur van het in 2012 bij UGA verschenen boek ‘Kwetsbaren in het recht’.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Anders gaan verdienen

28 / 01 / 2013

 

Hoewel een radicaal ander arbeidsmarktmodel zich opdringt, blijft het Inter-Professioneel Akkoord (IPA) steken in kreten en symbolen. Recent gooide VDAB-topman Fons Leroy de knuppel in het hoenderhok. Door het ietwat provocerende karakter van zijn boodschap - ‘2012 was een verloren jaar’, ‘we moeten van nul herbeginnen’ - werd wat snel over zijn vaststellingen heen gegaan. Ze waren niettemin pertinent: er zijn dringend aanpassingen nodig inzake ontslagrecht, werknemersstatuten en anciënniteit. Vooral dat laatste debat, over een leeftijdsbewust loopbaanbeleid, moet worden gevoerd. Zeker omdat vijftigplussers steeds vaker slachtoffer zijn van de crisis. Kan een verlaging van hun loon, o taboe, een oplossing zijn?

Emotie over ‘demotie’ in Nederland

Eerst even naar onze noorderburen. Daar ontstond onlangs grote ophef rond het plan van ICT-dienstverlener Capgemini om oudere personeelsleden tot 10% van hun loon te laten inleveren. Sommigen spreken van schaamteloze salariskorting. Volgens het bedrijf gaat het om het aanpakken van ‘een scheefgroei tussen hun marktwaarde en hun salaris’. Het hoge loon van haar oudere werknemers stemt niet langer overeen met de door hen geproduceerde toegevoegde waarde in vergelijking met de jongere IT’ers in het bedrijf en zeker niet in vergelijking met de goedkope en geschoolde IT’ers in India.

Positief was dat het voorstel van Capgemini in Nederland de tongen losmaakte over het fenomeen van ‘demotie’ (ook wel, lelijker, ‘loopbaanombuiging’ genoemd), de tegenhanger van promotie. Oudere werknemers zetten een stapje terug qua werkinhoud en bijgevolg qua inkomen. Ze keren terug naar hun oude functie, krijgen een meer begeleidende rol of gewoon een minder zwaar takenpakket. Wanneer dat uit eigen beweging gebeurt, wordt dat meestal niet als een probleem ervaren. Wanneer sprake van gedwongen ‘demotie’ gaat dat met heel wat negatieve emoties gepaard. Dan is het uiteraard niet altijd evident: voor de oudere werknemer voelt het aan als een degradatie; en wil een jongere werknemer dan wel luisteren naar de raad van iemand die net ‘demotie’ heeft gemaakt?

Onze versmachtende up-or-outcultuur

Nu steeds meer deuren om vroeger te stoppen worden gesloten, is het zaak dat mensen zich niet hijgend naar hun pensioen slepen. Praten over ‘demotie’ wordt ook hier onvermijdelijk. In België heerst een ongelooflijke up-or-outcultuur. Promotie maken en een steeds hoger loon is de norm. En eens we aan de top zitten, proberen we die positie krampachtig vast te houden. Maar op onze arbeidsmarkt, waar de focus ligt op productiviteit, moet je als goed verdienende vijftigplusser steeds meer vrezen dat je op een bepaald moment te duur wordt. Want bij een volgende reorganisatieronde kan jij aan de beurt zijn. En eens op de keien, gaat de arbeidsdeur in dit land helaas vaak onherroepelijk dicht.

Volgens recente OESO-cijfers bengelt België onderaan inzake effectieve (niet wettelijke) pensioenleeftijd. Als we willen dat mensen langer aan het werk blijven, moeten we durven toegeven dat onze huidige looncultuur niet houdbaar is.

Naar een salarisparabool

Zou het niet beter zijn mocht de salarisontwikkeling een meer parabolisch verloop kennen? (We spreken hier over bedienden. Voor arbeiders geldt deze steile looncurve minder; we zien ten andere bij de sluitingen in Ford Genk en Arcellor Mittal Luik dat loonkost maar een marginale rol speelt.) Daar waar vandaag jongeren vaak blijven hangen in lagere loonschalen, in tijdelijke contracten en onzekere statuten, moet het startersalaris sneller omhoog, met een vroegere piek tussen 40 en 50 jaar, en dan weer wat omlaag in de jaren richting het pensioen.

Het systeem van anciënniteitverloning moet dus worden hervormd. In zulke salarisparabool blijven de verdiensten over de hele loopbaan gelijk - essentieel: de koopkracht op lange termijn blijft dezelfde - alleen zijn ze anders gespreid. Dat maakt oudere werknemers niet alleen veel aantrekkelijker (lees goedkoper) voor de arbeidsmarkt, maar sluit bovendien beter aan bij de privébehoeften van de werknemer: sneller een hoger loon voor dertigers en veertigers die met zware uitgaven worden geconfronteerd; iets minder loon later (als het huis afbetaald en de kinderen afgestudeerd).

Een ‘horizontale carrièreswitch’, naar een job met minder salaris en meer rust, moet nog in onze arbeidscultuur ingebed geraken. Dat het kan, bewijzen - zoals zo vaak - de Scandinavische landen. Daar stijgen de lonen minder sterk met de dienstjaren, bestaat ‘demotie’ nauwelijks als problematiek en werken mensen langer door. De traditie van vervroegd uittreden kent men er nauwelijks. Bij ons zijn (of beter: waren) de mogelijkheden om vroeger te stoppen talrijker, en dat zie je terug in de salarisstijging aan het eind van de loopbaan.

Praten over een leeftijdsbewust loopbaanbeleid

De commotie over het Nederlandse ICT-bedrijf toont aan hoe gevoelig de positie van ouderen op de arbeidsmarkt ligt. En dat debat staat bol van de clichés: of het zijn broze wezens die nergens anders heen kunnen en moeten worden beschermd, of het zijn diegenen die met hun hoge lonen de kansen van goedkopere jongeren hypothekeren. Een genuanceerde discussie over de arbeidsmarktpositie van ouderen, en hun verloning, dringt zich op. Ons arbeidssysteem moet een nieuw evenwicht vinden aangepast aan de noden van deze tijd. Een evenwicht dat, per definitie, opnieuw provisoir en dynamisch zal zijn (zo gaat dat in een wereld die nooit stil staat). Daar moeten de sociale partners samen en continu aan werken, zonder vooringenomenheid, zonder taboes.

De eerste stappen moeten snel worden gezet naar een ander soort loopbaan (langer en horizontaler) en een andere looncurve (niet steeds hoger, wel meer parabool). Die discussie mag absoluut niet gevoerd worden in termen van loonmatiging. Want dat is geen duurzaam recept, noch om de huidige crisis op te lossen, noch om de toekomstige betaalbaarheid van onze welvaartsstaat te garanderen. Een lager loon voor vijftigplussers moet bespreekbaar zijn, op voorwaarde dat ze tijdig worden bijgeschoold, op voorwaarde dat de bescherming van hun (pensioen)rechten wordt verzekerd, op voorwaarde dat het ontslagrecht wordt hervormd (met nadruk op hertewerkstelling en niet op de hoogte van de ontslagvergoeding).

Een goede regeling

Maar zonder een goede regeling tussen werkgevers en werknemers geen ‘demotie’. Een hervorming van het loonparcours kan enkel binnen een totaalpakket dat het hele arbeidsmarktbeleid ter discussie stelt. En net daar lijkt het Inter-Professioneel Akkoord (IPA) steeds minder in te slagen. De sociale partners zouden voor zichzelf de ruimte moeten creëren om zo’n langetermijnvisie te ontwikkelen. Fons Leroy vroeg zich terecht af of dat wel mogelijk is binnen de huidige structuur van een tweejaarlijks IPA.

Wim Vermeersch

(De auteur is hoofdredacteur van Sampol, tijdschrift voor Samenleving en Politiek.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

Onder de waterlijn

26 / 01 / 2013

De voorbije week was op subtiele wijze bijzonder interessant. Niet op het eerste zicht, niet omdat er zich grote beslissingen of hoogstaande debatten ontrolden. Maar onder de waterlijn was een fascinerend schouwspel te zien, voor wie wou kijken. Een wat lomp manoeuvre in psychologische oorlogsvoering, met bijhorende frustraties voor wie bergopwaarts moet strijden.

De betere rekenaar

Daarmee verwijzen we niet naar de veelzeggende opmerking van Kris Peeters in Terzake. Daarin zei ‘de MP’ – die eerder al liet weten dat 2014 wellicht wat te vroeg komt voor een zevende staatshervorming, er is immers nog zoveel werk aan die zesde – ogenschijnlijk laconiek dat de nieuwe senaat zich na de verkiezingen van 2014 maar over een nieuwe communautaire ronde moest buigen. Stel je voor, de nieuwe senaat, waarvan velen denken dat die eigenlijk afgeschaft is. Geen mens in de Wetstraat, of hij moet er toevallig verloren gelopen zijn, gelooft dat zo’n grote, ingewikkelde staatshervorming door 60 senatoren kan beslist worden. Wat grote verklaringen, stapels sierlijk papier en veel te lange vergaderingen komen daar uit, maar geen blauwdruk voor het nieuwe België. Zo’n topbeslissing vergt topoverleg tussen de partijtoppers, in besloten bijenkomsten. Over Kris Peeters kan veel gezegd worden, maar niet dat hij naïef is. Hij behoort tot de betere rekenaars en houdt eigenhandig als enige zijn hele regering recht.

Peeters weet dus dat zijn voorstel onrealistisch is. Maar hij gaf eigenlijk een antwoord op de niet gestelde vraag, nl. hoe men in 2014 een ellenlange formatie (à la 2010) kan vermijden: je houdt de staatshervorming buiten de regeringsvorming, en zo kan die laatste – dus ook van zijn eigen regering – sneller verlopen. Daarmee raakt N-VA geïsoleerd, want die partij zal uiteraard een akkoord over de confederale omwenteling als voorwaarde stellen voor de regeringsdeelname. Toch voor de federale, waar ze al niet warm voor loopt. En zie, in de roddelrubriek is een vervolg gekomen op het gerucht waarnaar we vorige week verwezen. Peeters zou nu gaan voor … het premierschap! Van die deal met N-VA is geen sprake, zucht het fluisterfestival. Hoera, zo vallen weer wat centimeters beweging te duiden.

De pijn van de gekrompen relevantie

Peeters was trouwens in goeden doen. Zoals het een regeringsleider past vond hij, op voorstel van anderen, voor Open VLD een elegante uitweg voor wat voor hen een verloren strijd was. De procedure wordt herzien, voor de volgende gouverneurs. Dat komt ook omdat Open VLD een punt wou maken. Wat Open VLD wou – een nieuwe procedure voor Briers – was een dom verzoek, wegens gegarandeerd verlies. Nooit was er sprake van dat de Vlaamse regering haar beslissing om Briers voor te dragen zou herzien. En al zeker niet op verzoek van een Vlaamse oppositiepartij die even daarvoor haar eigen Vlaamse fractieleider ongewoon openlijk voor het mandaat zag kandideren. Het moet voor Open VLD een pijnlijke illustratie zijn van de gekrompen relevantie: geen enkele gouverneur meer, voor een partij die er bij wijze van spreken al bij is sinds het ontstaan van de Belgische democratie.

En dus vergaloppeerden de liberalen zich: uit onmacht en frustratie. Ze lieten zich op stang jagen door N-VA en zo traden de Vlaamse liberalen in een arena waar N-VA op dit moment heer en meester is en de anderen met plezier in meeneemt: die van de politieke symboliek, van de perceptiestrijd voor gevorderden. De Vlaamse liberalen maakten geen schijn van kans. Ze verloren controle, ook over hun eigen argumenten en eisen. De perceptie tegen, klonk het achteraf.

Horendol

De N-VA-keuze voor Briers was slim, wegens tal van communicatieve voordelen. N-VA deed mee aan het spel van de door de politiek benoemde gouverneurs , zoals Ben Weyts vandaag in De Morgen zegt (er is gezien de procedure geen alternatief, simpelweg verzaken aan haar benoemingsrecht heet bij N-VA ‘naïef’), maar door haar keuze voor een ongewoon profiel was ze toch anders dan de anderen. En daar kunnen die niet tegen. Ze worden daar bij de concurrentie horendol, van dat ‘vals spel’ van N-VA. Terwijl N-VA gewoon doet wat de anderen ook kunnen, maar niet kunnen bedenken. Zoals ooit SP.A, onder het regime van de teletubbies: al wat die partij toen aanraakte, toen, veranderde in goud. De concurrentie was stikjaloers op zoveel communicatief vernuft. En dus vielen ze Stevaert en zijn ‘gratis’ aan: plat populisme. De gevallen ster gaf daar met zijn anti-intellectualisme ook enige aanleiding toe. Vandaag De Wever en zijn ‘verandering’?

Plots klinkt het dan dat N-VA op een andere, lees slinkse en eigenlijk wat vuilere manier aan politiek doet, niet op de meer eervolle wijze zoals heren dat doen, zoals de traditionele partijen dat naar eigen zeggen doen. Dat steekt. Getuige de ongeremde frustratie in de commissievergadering van het Vlaams Parlement. De concurrentie van N-VA riep ongeveer dat N-VA niet moet denken dat ze beter is dan de rest. Of ze dat denken bij N-VA is niet duidelijk en zelfs niet relevant; zij spelen het gewoon slimmer. En de anderen zijn slechte verliezers.

Terwijl die ‘kracht van verandering’ bij Briers nochtans maar een flauwe versie is. Waarom heeft N-VA (en dat geldt evenzeer voor Open VLD) niet veel vroeger, jaren geleden al, toen reeds bij de regeringsvorming duidelijk was dat Oost-Vlaanderen in deze legislatuur een nieuwe gouverneur zou krijgen, een nieuwe procedure opgestart? Dan kon ze bij haar eerste keuzerecht die nieuwe procedure helemaal laten spelen. Neen, N-VA wou meedoen met het klassieke spel maar dan zodoende dat ze dat anderzijds ook weer niet helemaal deed. De anderen zaten er bij en keken er naar. Dus trok Open VLD een beetje kinderachtig de federale rode kaart onder het mom van ‘te weinig overleg’ en ‘hoe wij met elkaar omgaan’, in de krant verschenen laffe (want anonieme) stevige verwijten (vanuit socialistische hoek) aan het adres van N-VA. En zie: plots was ‘het populisme’ een item in Terzake, dateen sterke week beleefde.

Populisme

Over populisme wordt veel gezegd. Een precieze, door iedereen aanvaarde begripsafbakening is er niet. Het veelvuldig, inflatoir gebruik leidt er toe dat het meestal te onpas gebruikt wordt: wie geen argumenten meer heeft kan de ander nog altijd populist noemen. Dat begrip zou verwijzen naar de praktijk van politici die vooral de ‘primaire gevoelens’ van het volk volgen, zonder veel na te denken, zonder nuance of zonder respect voor de regels van rechtstaat. Te gemakkelijk gehoor geven aan de roep van de straat. Enzovoort. Het populisme doet een beetje wat ook het religieus fundamentalisme doet: alles laten vertrekken vanuit een eenvoudige waarheid die eenduidig geïnterpreteerd moet worden. Populisme is een zwaar verwijt, het is een gevaarlijke aandoening.

Populisme is anti-institutioneel, anti-intellectualistisch, irrationeel en afkerig van politieke organisaties en instellingen en representatie. Voor populisten zijn vertegenwoordigende organen, zoals het parlement maar ook ‘de andere’ politieke partijen, niet te vertrouwen. Ze zijn een misleidende, vertekenende, verstorende en vaak zelfs corrupte schemerzone tussen de bestuurders en het volk. De populist claimt dat hij wel, in tegenstelling tot al zijn concurrenten, de ware vertegenwoordiger is, het volk écht vertegenwoordigt, de enige die de wil van het volk zal realiseren. Zijn concurrenten, die hem populist noemen, denken vooral aan zichzelf of aan specifieke groepsbelangen. Populisme strijdt tegen dat verraad van de ware volkswil. Dat volk wordt als één geheel, zonder veel onderlinge nuance. Populisten spreken dan ook in naam van ‘het volk’, zelfs als ze daar maar een deel van vertegenwoordigen. Eenmaking van het ondeelbare volk gebeurt vaak door het uitvergroten van kenmerken, zoals klasse of sociaaleconomische positie, taal, etnische afkomst, cultuur, …

Populisten verwerpen de institutionele complexiteit, zoals die ook door allerlei wetten en de grondwet wordt opgetrokken en in stand gehouden. Populisme staat afkerig tegen overleg en consensus, want suggereert of gaat er van uit dat er één kenbare en ondeelbare waarheid is, één juist standpunt dat ook moreel boven andere staat. En al dat overleg duwt de wil van het volk naar achter. Populisme is anti-establishment, wil steevast het verschil tussen hen en het klassieke, traditionele, ouderwetse, achterhaalde … zeg maar volksvreemde systeem onderlijnen. Het populisme is zelfs anti-politiek: wat politiek doet of beslist kan niet goed zijn. Het populisme aardt in een wereld van verandering en onzekerheid en wordt zelfs een verzetsbeweging tegen falende systemen, die minstens welvaartsbehoud niet langer kunnen garanderen. Populisme is een alarmsignaal van een samenleving in vertwijfeling.

Vandaag kent Vlaanderen geen volbloed populisten, maar soms is er bij verschillende spelers wel een spoor van te vinden. We laten dat harde label dus best achterwege als het iemand niet helemaal past. Het gebruik ervan zou intellectueel oneerlijk zijn. Maar het debat erover wijst terecht op de vraag of onze politiek wel voldoende fatsoenlijk verloopt. Zoals Siegfried Bracke terecht zei in een boeiend Knackgesprek: ‘wat mij stoort is dat sommigen morele consequenties menen te mogen trekken uit een verschil in politieke opvattingen. Alsof ik als N-VA’er ineens een minder mens zou zijn.’

Bij de concurrentie fluisteren ze dat N-VA zich daar nochtans zelf aan bezondigt: ze doen zich moreel superieur aan de traditionele partijen voor. Maar ook bij N-VA zien ze zich als een slachtoffer van die superioriteitsgevoelens van anderen. Bart De Wever wees er vorige week in De Zevende Dag op dat sommige van zijn Franstalige tegenstrevers zich ‘moreel superieur’ gedragen. Hij had het over een ‘prachtig toneelstuk’, waarin ‘de Vlamingen, en zeker N-VA moreel lager worden gezet’. En, zo sprak De Wever, ‘veel Vlamingen trappen daar in’. Om dat te vermijden moet N-VA ‘incontournable’ zijn en zo gaan we naar een ‘paradigma-shift’. Om de een of andere reden is De Wever altijd interessant.

Dat was hij ook nog op een andere moment. Over het onderzoek van minister Reynders over de contacten van prins Laurent (in het debat of hij zich aan zijn voorwaarden hield om zijn royale dotaties te behouden) zei De Wever: ‘Dat is niet echt ernstig. Men wil die natuurlijk weer door de mazen van het net laten zwemmen. Iedereen weet, er zijn ook wel wat vermoedens, misschien wel wat meer dan dat, we zullen de komende weken zien wat er boven komt, dat die uiteraard de regels niet heeft gerespecteerd.’ Geeft u daar bewijzen van?, vroeg Ivan De Vadder. Toen zei De Wever: ‘ik heb daar persoonlijk geen bewijzen van, maar ik leef op niet op een andere planeet, ik doe ook mijn telefoontjes, en die zeggen mij heel andere dingen. En dat zal waarschijnlijk wel boven water komen. Ik hoop dat.’

Het gaat in deze niet om de concrete casus, prins Laurent en zijn dotatie. De Wever heeft trouwens gelijk: deze vermeende overtreding hebben diegenen die de dotaties aan prins Laurent willen afschaffen niet eens nodig. Daar zijn genoeg andere argumenten voor te vinden. Maar het gaat in deze wel om de politieke methode. Een zeer gevaarlijke. Beschuldiging zonder bewijzen, vermoeden van schuld (‘uiteraard’), veroordeling op basis van geruchten die de eigen telefoontjes opleveren… Dat is niet fraai. Populisme is dat niet, maar wel iets anders dat vermeden moet worden. Prins of geen prins. De inzet voor 2014 is hoog, hopelijk wordt het spel boven de gordel gespeeld.

Die aanloop naar 2014 is zo belangrijk als verkiezingen zelf. Wie 2013 goed doorkomt kan nadien nog veel, wie sukkelt krijgt volgend jaar nog weinig recht gezet. Dat is in de politiek niet anders dan elders. Wie verkeerd afstoot gaat niet over de lat. Mocht New Order haar Blue Monday zonder aanlopende beats (en de ‘aaaaaaaa’) direct met ‘How does it feel to treat me like you do?’ beginnen, niemand zou zich de song nog herinneren. Misschien moeten ze daar in de politiek ook wat meer aan denken, over hoe ze elkaar behandelen?

Referenties

http://www.youtube.com/watch?v=GwupfdyXGfY

http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/mediatheek

Carl Devos

(De auteur is politoloog aan de Gentse universiteit.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

De moedeloosheid van de treinreiziger

25 / 01 / 2013
Even voor we Antwerpen-Centraal binnenrijden verontschuldigt de conducteur zich nogmaals voor de te korte samenstelling van de trein. In plaats van acht zijn er maar vijf dubbeldeksrijtuigen. Dat is 420 zitplaatsen minder! En dat in volle spits. De passagier naast mij glimlacht. ‘Ach, het is altijd wat. ‘s Morgens staan we op elkaar gepakt, ’s avonds heeft de trein vertraging of wordt hij afgeschaft. Door de luidsprekers in de stations en op de perrons galmt onverstaanbare taal. De andere dag staan we een tijd stil zonder informatie. Soms moet je via smalle trappen van het ene naar het andere perron. Je wordt er moedeloos van.’

Gelieve ons te verontschuldigen

Enkele dagen eerder. In Gent-Dampoort wacht ik, eveneens in volle spits, op de trein naar de stad die van iedereen is. Op het perron worden we gewaarschuwd dat de trein slechts drie in plaats van negen rijtuigen telt. Uiteraard weer gevolgd door de oubollige passepartoutformule ‘gelieve ons te verontschuldigen’. Die ongeloofwaardige verontschuldigingen hangen veel forenzen de keel uit. Ze klinken lachwekkend.

Met enige moeite verover ik een staanplaats in de fiets- en bagageruimte. De trein puilt uit. Niemand mort, er heerst gelatenheid. Hier en daar hoor je gedempt praten. Geen enkel verwijt richting conducteur. Hij staat machteloos tussen de moedeloze reizigers. Gelukkig blijft de vertraging beperkt maar in Sint-Niklaas is de aansluitende trein naar Mechelen al vertrokken. Dat wordt bijna een uur wachten.

Fyra

Moedeloos is intussen ook de reiziger die geregeld tussen Nederland en België spoort en geen auto bezit. Sinds 9 december kun je alleen ‘kiezen’ tussen de Thalys en de Fyra , twee dure hogesnelheidstreinen waarvoor je moet reserveren. De flexibele, betaalbare en klantgerichte Benelux werd geofferd op het Fyra-altaar, lees van geld verdienen. Maar met spoorwegen valt, als ze tenminste een bijdrage tot de mobiliteit moeten leveren, geen geld te verdienen. Wie dat denkt droomt.

Wie minder snel naar Nederland wil sporen, wordt gestraft met lange reistijden en overstappen die in voltooid verleden tijden als normaal werden ervaren. Door de floppende Fyra en het opdoeken van de Benelux keerde de helft van de reizigers de trein de rug toe. Leve de auto. De Nederlandse en Belgische Spoorwegen hebben een alternatief voor de Fyra beloofd. Wanneer en voor hoe lang?

De NMBS heeft intussen wat gerommeld in de marge. Wie van Brussel op een ‘gewone’ manier naar Amsterdam wil, moet overstappen in Antwerpen en Roosendaal. Als de aansluitingen kloppen, ben je vier uur onderweg. Anders nog langer. Je zou voor minder moedeloos worden.

Laat de spoorweggroep ophouden met te praten over duurzame en genetwerkte mobiliteit. De NMBS jaagt de mensen de trein uit.

Klant centraal?

Is er hoop? Als we Magnette en Vande Lanotte mogen geloven, zal na de zoveelste herstructurering de klant centraal staan. De klant staat toch altijd centraal in een dienstverlenend bedrijf?

Na de splitsing in 2005 werd het klantgericht denken en handelen, ook op regionaal en lokaal niveau, een stuk moeilijker, soms zelfs onmogelijk. Diensten gingen naast elkaar of zelfs tegen elkaar werken. Het resultaat was navenant. Steeds meer ontevreden klanten die intussen moedeloos zijn geworden.
Gedreven en ervaren spoormensen verwachten niet veel beterschap van de Magnette-doctrine. De scheiding tussen infrastructuur en exploitant, de dure waterhoofden, de bureaucratie, de politieke benoemingen, de vriendjespolitiek blijven.
De Holding neemt de NMBS over. Infrabel wordt uitgekleed. Dat de NMBS verantwoordelijk wordt voor de bouw en onderhoud van de stations is in strijd met de Europese regelgeving. Wat gebeurt er als er zich een andere exploitant meldt?

Correcte informatie

Een lichtpunt is er wel voor de moedeloze treinreizigers. De NMBS doet er alles aan om de reizigers in de treinen en de stations snel en correct te informeren. En dat wordt tijd. Wissel- en seinstoringen, kapotte bovenleiding, defecte treinen… Daarbovenop komt nog ellende waar de spoorwegen niets aan kunnen doen: zelfmoorden, ongevallen op overwegen, koperdiefstallen… Reizigers hebben wel degelijk begrip voor vertragingen maar ze willen wel precies weten wat er is gebeurd en wat de vooruitzichten zijn.

Klagen

De treinreiziger klaagt ook steeds minder. Wat haalt het uit? De klachtendienst van de NMBS, his masters voice, maakt de reiziger immers nog moedelozer. Niemand in deze bureaucratische dienst kan een klantvriendelijke brief schrijven. ‘Zeur niet! Je moet blij zijn dat we je willen vervoeren’, is de onderliggende boodschap.

‘De reizigers hebben altijd gelijk’, stelde de voormalige topman Antoine Martens, een spoorman pur sang. Bij de klachtendienst krijgen de reizigers doorgaans ongelijk. Wijlen Antoine Martens klom binnen de spoorwegfamilie op van de werkvloer tot directeur-generaal. Hij wist waarover hij sprak, hij kende de spoorwegen.

De onafhankelijke ombudsman zet zich wél in voor de belangen van de reiziger. Dat vindt de NMBS-directie dan weer niet prettig. Ik druk mij beleefd uit. Twintig jaar geleden werd de ombudsman door de toenmalige baas Etienne Schouppe vijandig onthaald. Later zette hij, als staatssecretaris, de strijd verder. Samen met zijn handlangers. De ombudsman – dé verdediger van de getergde reizigers - moet nu zelfs examen afleggen om ombudsman te mogen blijven… Wat moet hij nog bewijzen? De politiek wil blijkbaar een ombudsman die de reiziger nog moedelozer maakt. De huidige ombudsman moet weg. Een tijd geleden werd via de media de beschadigingsactie ingezet. Hier word je ook moedeloos van.

En terwijl de treingebruikers bijna elke dag lijden, vechten de voor de slechte dienstverlening verantwoordelijke bazen voor de verlenging van hun vorstelijk betaalde job. Kan het contrast nog groter?

Herman Welter

(De auteur is Journalist en volgt sinds 1964 de spoorwegen en het stads- en streekvervoer in binnen- en buitenland.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

De EU en de crisis van de democratie

De Britse premier Cameron spreekt dreigende taal. Als de macht van de Europese Unie niet teruggeschroefd wordt, dan stappen de Britten misschien op na een referendum. Of die dreiging reëel is of louter bluf valt moeilijk in te schatten. De Britten zijn alleszins steeds koele minnaars van Europa gebleven. Dat neemt niet weg dat de Britse kritiek ons ook de ogen kan openen voor de tekortkomingen van het Europese project.

De Europese burgers hinken achterop

De Europese instellingen hebben zichzelf ruimere bevoegdheden toe bedeeld om effectieve oplossingen voor de crisis te kunnen aanreiken. Op die manier lossen we misschien de economische en financiële crisis op, maar we moeten beducht zijn voor een andere crisis. Die van onze democratie.

Het fiasco van de volksraadplegingen in Frankrijk, Nederland en Ierland over de Europese Grondwet en het Verdrag van Lissabon heeft ons in het voorbije decennium al een flinke waarschuwing gegeven. De Europese integratie gaat sneller dan de Europese bevolking. Er is een ‘democratisch deficit’ in Europa, zo luidt de diagnose. Enkele jaren later blijkt de integratie wederom tekort te schieten om een slagkrachtige Unie te verzekeren. De crisis veroorzaakt een versterking van de machtsconcentratie op Europees niveau.

Dat dit een noodzakelijke evolutie is, met het oog op de aanpak van de huidige crisis én op de uitdagingen op middellange termijn, wil ik geenszins tegenspreken. We moeten echter wel stilstaan bij de gevolgen voor de democratie wanneer de Europese integratie weer versnelt terwijl de burgers en hun participatie achterop blijven hinken.

De tweeslachtigheid van de politiek

Ruim een halve eeuw geleden formuleerde de Franse filosoof Paul Ricoeur de zogenaamde ‘politieke paradox’. Die paradox wees op een fundamentele tweeslachtigheid van de politiek. Enerzijds zijn we door de politiek in staat tot grootse dingen. Via de politiek hebben we het vermogen om gezamenlijk te beslissen over de toekomst van onze gemeenschap. Anderzijds kan politiek pas functioneren op basis van macht. Alles wat de politiek kan realiseren gebeurt omdat er sommigen zijn die de macht uitoefenen over de anderen. Macht heeft bovendien de onontkoombare neiging om haar eigen grenzen steeds te willen overschrijden. Geen politiek zonder macht en geen macht zonder het gevaar van machtsmisbruik. Dit is de politieke paradox: politiek confronteert ons met grote mogelijkheden, maar ook met grote risico’s.

Betekent dit dat we gedoemd zijn? Neen, als we ons maar ten volle bewust blijven van de gevaren van de politiek, dan kunnen we ons immers wapenen. Dit betekent dat we elke machtstoename moeten compenseren door een toename van de democratische controle. De machtstoename bij de Europese instellingen moet dus gecompenseerd worden door een toename van de democratische controle over de EU, en dat terwijl de EU nu al te kampen heeft met een ernstig democratisch deficit…

Het recht van elke burger

Democratische controle is uiteindelijk een kwestie van elke burger. Wij allemaal moeten in staat zijn om waakzaam de politiek te volgen en om actief gebruik te maken van onze politieke vrijheid. Politieke vrijheid begint bij de vrijheid om te contesteren. Als we vinden dat de machthebbers hun boekje te buiten gaan en/of geen rekening houden met onze belangen, dan hebben we het recht en de plicht om te protesteren. De massabetogingen in Athene, Madrid, Lissabon en elders tonen dat het in Europa wel snor zit op dat vlak. Als het de spuigaten uitloopt, dan weten de Europese burgers hun protest wel te uiten.

Het belang van betrokkenheid

Onze politieke vrijheid moet echter meer zijn dan de vrijheid om te contesteren. Democratische controle vergt niet alleen dat de burgers hun protest kunnen ventileren. We moeten ook de vrijheid hebben om te participeren. We moeten ons betrokken weten in de politieke besluitvorming van een gemeenschap die we als de onze beschouwen. Als technocratische instellingen die ver boven ons hoofd functioneren steeds meer macht krijgen zonder dat de waakzaamheid én de participatie van de burgers gelijke tred houden, dan komt de legitimiteit in het gedrang.

Zo toont zich misschien de meest fundamentele crisis waarmee we worden geconfronteerd. In zijn rapport ter voorbereiding van de Europese Raad van juni jongstleden identificeerde Herman Van Rompuy vier wezenlijke uitdagingen voor de Unie. Naast de realisatie van een geïntegreerd financieel toezicht, een geïntegreerd begrotingskader en een geïntegreerd economisch beleid had hij het ook over het waarborgen van democratische legitimiteit. De eerste drie uitdagingen gaat de Europese Raad enthousiast te lijf. Veel minder vindingrijk zijn ze echter wanneer het erop aankomt een manier te vinden om de democratische legitimiteit van de Unie te verstevigen. Misschien is de laatste vraag dus de meest prangende. Dat zou betekenen dat de economische en financiële crisis vooral een crisis van de democratie is. Als het gepoker van Cameron iets oplevert, laat het dan een antwoord zijn op dit probleem.

Dries Deweer

(De auteur is onderzoeker wijsbegeerte aan de KULeuven.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.

Een dienstbare ambtenarij

22 / 01 / 2013
De afgelopen tien jaar kreeg ons land er 14,7% meer ambtenaren bij. Vooral dan bij de gewesten, gemeenschappen en lokale besturen. België telt verhoudingsgewijs meer ambtenaren per inwoner dan gelijk welk andere Europese lidstaten. Behalve misschien Cyprus dan. Dat is louter een vaststelling, meer niet. Het is niet aan ons om te beslissen over het aantal personeelsleden bij de overheid. Die verantwoordelijkheid laten we aan de politici.

Het belang van de klant

De overheid benadrukt immers genoeg – en terecht – hoe belangrijk het is voor werkgevers om te werken aan een performant personeelsbeleid. Eén waarbij aandacht is voor de competenties van werknemers, voor opleiding, voor kansen en motivatie. En dat altijd de noden van “de klant” indachtig. Met andere woorden, het is belangrijk de juiste persoon op de juiste plaats te zetten. En om kwaliteit boven kwantiteit te verkiezen. Dat de overheid dat toepast op haar eigen personeelsbeleid, vind ik niet meer dan evident. Als ze vindt dat er zaken moeten veranderen, dan zal daar reden toe zijn.

Verandering nodig

Vandaar juichen we het toe als politici de moed hebben om hervormingen voor te stellen. Want werken aan een performant overheidsbeleid vraagt soms veranderingen. Dat ze de voorstellen voorleggen aan de sociale partners, is mooi meegenomen, maar eigenlijk niet meer dan logisch. Wij hebben daar nu eenmaal een gefundeerde mening over en delen die graag.

Ook nu. Willen politici werken aan een slankere en doeltreffendere overheid, dan moet de overheid zichzelf beperken tot haar kerntaken. Dat doet ze best via een objectieve evaluatie over wat ze zelf kan en wat ze beter overlaat aan de privésector.

Een tip voor de bonden

Ook voor de overheidsvakbonden hebben we een tip. Twee zelfs. Geef overleg maximale kansen en vermijd stakingen. Daar help je niemand mee vooruit, zeker niet onze bedrijven, klanten en burgers. En wees waakzaam dat de vandaag verplicht te volgen weg naar boven, goede medewerkers niet ontmoedigt om te promoveren.
Een overheid en haar medewerkers in dienst van burgers en bedrijven, daar gaat het ons om.
Kortom: niet zoveel mogelijk maar performant en klantvriendelijk overheidspersoneel.

Karel Van Eetvelt

(De auteur is gedelegeerd bestuurder van Unizo.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Solliciteren is naam maken

21 / 01 / 2013

 

Anoniem solliciteren als remedie tegen discriminatie op de arbeidsmarkt? Het is een thema dat in golven terugkeert. Het was een discussiepunt in de media in voorjaar 2005, in voorjaar 2010, en vandaag staat het, dank zijn federaal minister van Arbeid Monica De Coninck, opnieuw op de agenda.
Ik heb groot respect voor de doelstelling. Er zijn vele redenen om werk te maken van “inclusie”. Het is een zaak van maatschappijvisie, en van economie. We hebben de maatschappelijke plicht en economische (en sociale, en politieke) nood om iedereen in onze samenleving te engageren in onze arbeidsmarkt.

Een meerderheid

Alleen al de definitie maakt dat duidelijk. De “doelgroepen” waarover het gaat, zijn intussen wel héél groot geworden. Jongeren, ouderen, vrouwen, gehandicapten, mensen met lage vorming, mensen van – twee, drie generaties geleden – buitenlandse afkomst. Het gaat, met andere woorden, over een meerderheid van onze actieve bevolking. Ik mag intussen trouwens ook mezelf tot deze groep rekenen.

Maar terwijl het doel correct is, heb ik grote twijfels bij het middel. Ik wil er hier twee kanttekeningen bij maken.

Doelmatigheid

De eerste betreft de doelmatigheid. Is dit een efficiënt instrument? Met andere woorden: wat zijn de kosten, en welk resultaat levert het op?
Anoniem solliciteren, dat betekent: elke sollicitatie wordt nauwgezet anoniem gemaakt. De verantwoordelijke voor de rekrutering – de interne HR-dienst, het interimbureau, de headhunter, het selectiekantoor, de personeelsdirecteur – schrapt in elke sollicitatiebrief en in elk cv zorgvuldig de persoonlijke gegevens.

Welke zijn dat? De naam, het geslacht, de geboortedatum, de geboorteplek? Dat lijkt evident: dat zijn dingen die iets zeggen over ouderdom, geslacht, afkomst. De opleiding, de scholing? Ook dat kan de achtergrond verraden. De ervaring, de carrière, het profiel?

Hoe ver ga je in het anoniem maken?

In het beste geval betekent het, vrees ik, dat we alleen maar een extra stap creëren in de sollicitatieprocedure. We gaan selecteren op basis van een onvolledig cv, waarin – noodgedwongen – elementaire gegevens ontbreken. Welke competenties, welke bedrijfscultuur? Dat is per definitie persoonlijke informatie. Die we dan pas zullen ontdekken in de tweede stap, die onvermijdelijk volgt: de individuele confrontatie met de kandidaat.
Dat is mijn eerste bedenking. Anoniem solliciteren bestaat niet, want niemand werft anoniem aan. Het maakt alleen de procedure wat langer, wat ingewikkelder, wat kostelijker.

Langetermijnvisie

Een tweede kanttekening betreft de langetermijnvisie. Is dit een maatregel die ons op weg zet naar een toekomstgericht arbeidsmarktbeleid? Het antwoord op die vraag zit al deels in de eerste bedenking. Niemand werft anoniem aan. In de kennissamenleving van vandaag, is zowat elke business een people business. Attitude, competenties, kennis, ervaring, flexibiliteit, persoonlijkheidskenmerken: dat zijn de karakteristieken die er toe doen in de arbeidsmarkt van vandaag – en die van morgen. Dat zijn per definitie geen anonieme criteria.

Wie rekruteert, is geïnteresseerd in de mogelijke toegevoegde waarde van de kandidaat, maar ook in de vraag of die zal passen in de bedrijfscultuur en in het toekomstplan van de organisatie.

Anoniem solliciteren past niet in dat plaatje. Het is, denk ik, een oplossing uit het verleden. We moeten de inclusie op een andere manier aanpakken. Heel zeker, we moeten ons – en al wie rekruteert – veel meer bewust maken van de soms onbewuste uitsluitingsmechanismes die we hanteren en waardoor we talent uitschakelen. Talent dat we nodig hebben, op een alsmaar krapper wordende arbeidsmarkt.

Ontplooien van talent

Maar vooral, we moeten ervoor zorgen dat dit talent zich kan ontplooien. Dat het goed geschoold is. Dat het een moderne arbeidsattitude heeft. Dat het weerbaar is. Dat het betaalbaar is. Dat het zich kan vermarkten.
Want dat is solliciteren in de kennissamenleving: er staan. Spraakmakend zijn. Verwondering en bewondering wekken. Naam maken.
En naam maken staat haaks op anonimiteit.

Jo Libeer

(De auteur is gedelegeerd bestuurder van Voka, het Vlaams netwerk van ondernemingen.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod.)

Een knarsetandende kanselier

 

Lang op voorhand noemden de Duitse media de verkiezingen in de deelstaat Nedersaksen een ‘Schicksalswahl’. Dat doen ze wel meer, dramatische woorden gebruiken. En toch, toch beslissen deze verkiezingen wellicht ook mee over het lot van bondskanselier Angela Merkel.

Nedersaksen als testcase

Sinds 2010 bestuurde David McAllister als christendemocratisch minister-president de deelstaat - ‘das Land’ - Nedersaksen in het noordwesten van de Bondsrepubliek Duitsland. De zoon van een Schot (die als geallieerde soldaat in 1945 op Duitse bodem had gestreden) gold als ‘kroonprins’ van bondskanselier Merkel (CDU). Op zondag 20 januari werd hij uitgedaagd door Stephan Weil, de sociaaldemocratische burgemeester van Hannover. De vraag of zwart-geel, de coalitie van christendemocraten (CDU) en liberalen (FDP), al dan niet zou worden afgelost door rood-groen (SPD en Grüne), werd als test bestempeld voor de verkiezingen voor de Bondsdag, het federale parlement, op 22 september. De CDU maakte zich niet al te veel zorgen met McAllister als geliefde ‘Landesvater’. Andere koek was de FDP. Interne ruzies voorspelden niet veel goeds voor de liberalen. Zouden ze de kiesdrempel van vijf procent wel halen? En zelfs dan, zou het volstaan om zwart-geel aan het regeringsroer te houden?

Juichen

Over peilingen wordt wel eens gezegd dat ze er vaak naast zitten. Dat was deze keer zeker het geval wat de FDP betreft. Net zoals bij vorige deelstaatverkiezingen in Noordrijn-Westfalen en Sleeswijk-Holstein deden de liberalen het in Nedersaksen met bijna tien procent dubbel zo goed als wat de peilingen hadden laten uitschijnen. Voor de FDP gaat het mooie spreekwoord op: ‘Totgesagte leben länger’ (vrij vertaald: krakende wagens lopen het langst). Ook de Duitse Groenen behaalden met 13 procent een eclatante overwinning (een winst van bijna zes procent was dat tegenover 2008).

Dat is zelfs niet meer zo ongewoon. Duitsland leveren ze in de deelstaat Baden-Württemberg zelfs de eerste groene minister-president en in Stuttgart, de hoofdstad van die deelstaat, de eerste groene burgemeester. Ook de sociaaldemocraten klommen in de kiezersgunst. Binnen de SPD had heel de tijd bezorgdheid geheerst of bepaalde ongelukkige uitspraken van haar kandidaat-kanselier Peer Steinbrück haar niet de das zouden omdoen. De winst (van 30,3 naar 32,6 procent) mag wel niet doen vergeten dat de uitslag haar tweede slechtste is in de geschiedenis van Nedersaksen.

Verliezers

Geen reden tot juichen heeft de CDU. Weliswaar is ze met 36 % de sterkste partij, maar ze verloor 6,5 procent. De oorzaak daarvan is de ‘opofferingszin’ van vele CDU-kiezers. In het Duitse kiessysteem beschikt de kiezer over twee stemmen. Met de Erststimme kiest hij/zij voor een kandidaat van een bepaalde partij in het eigen district, met de Zweitstimme voor een partijlijst op deelstaatniveau. In de hoop op een zwart-gele meerderheid hebben 101.000 CDU-kiezers hun tweede stem gegeven of ‘uitgeleend’ aan de FDP. De verachting van SPD en Grüne voor de FDP lag er dan ook dik op. Groene politici noemden haar een ‘opgeblazen partij’; Sigmar Gabriel, voorzitter van de SPD, gewaagde zelfs van ‘Fremdblutzufuhr’.

De links-radicale ‘Die Linke’ vliegt uit het deelstaatparlement, de Piraten komen er niet eens in. Voor de ‘Linke’ als een partij met Oost-Duitse wortels betekent dit het begin van het einde in West-Duitsland; de Piraten gaan ten onder aan de eigen chaos.

Knarsetanden

Tot middernacht heerste er een patstelling tussen zwart-geel en rood-groen. Uiteindelijk sleepte rood-groen een mandaat meer in de wacht dan CDU en FDP samen (69 tegenover 68). Het is de vijfde deelstaatverkiezing waar de CDU klappen krijgt. Zwart-geel verliest nu ook de meerderheid in de Bondsraad, de deelstatenkamer. Een bittere pil is het voor Merkel. Ze beseft knarsetandend dat de CDU-kiezers met hun tweede stem de FDP hebben gered ten koste van de eigen partij. Met die ervaring voor ogen zullen heel wat minder christendemocraten in september geneigd zijn hun tweede stem te geven aan de FDP (en dan zijn er niet alleen verkiezingen voor de Bondsdag, maar kort daarvoor ook in de deelstaat Beieren). Veelbetekenend is de tweet van Dorothee Bär, vice-voorzitster van de CSU, de Beierse zusterpartij van de CDU, kort na bekendmaking van de eerste resultaten om 18 uur: ‘Im September gilt in und für Bayern: BEIDE Stimmen für die #CSU’. Dat zet ook een domper op de vreugde van de liberalen. ZEIT-journalist Markus Herold merkt op dat er voor haar werd gestemd omwille van het behoud van de macht, niet omwille van haar inhouden (Die Zeit online, 20 januari 2013).

Zwart-geel in de Bondsdag: dat is niet meer zo zeker ondanks de populariteit van Merkel. Waar de FDP haar succes te danken heeft aan de steun van de CDU-kiezer, verovert de SPD dankzij de sterke Groenen de macht in Nedersaksen. De machtswissel betekent voor de SPD ‘Rückenwind’, een duwtje in de rug op weg naar Berlijn. Maar een ding moet zowel de FDP als de SPD beseffen: om niet afhankelijk van anderen te zijn moet er nog hard worden gewerkt aan het eigen inhoudelijke profiel.

Dirk Rochtus

(De auteur doceert Duitse Geschiedenis aan KU Leuven/Thomas More Antwerpen.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod