Wie in de jaren zeventig ook maar enige aspiratie had om te schrijven vond Johan Anthierens op zijn weg, hoe goed die zich ook verschanste. Anthierens debuteerde bij De Post en verstopte zich begin de jaren zeventig in de gele televisiebladzijden van Knack Magazine. Wounded Knee kon als nom de plume wel tellen maar eigenlijk jende hij op die plaats alleen maar de radio-en televisiekluit. Twee jaar later startte hij Ooggetuige, onder eigen naam: een prominent geplaatste kroniek in Knack.
Nachtbraken, schaven en vijlen, schrijven en schrappen
Tot zijn vertrek naar de Zwijger en met een tussentijdse vaandelvlucht had hij daar in dat toch wel burgerlijke blad een podium van jewelste. Hoofdredacteur Frans Verleyen verstond de kunst om de meest tegenstrijdige talenten onder vlag te brengen. Zeker was dat Verleyen het potentieel voelde van een huischroniqueur die de lezers tegen de ballen in streek (dixit Johan Struye), de groeiende wereld van het BV-establishment en de eigen redactie in de verf zette en verder totaal en heerlijk onvoorspelbaar was.
Voor zoveel weelde had Johan Anthierens een sterk stel benen nodig. Die kroniek was telkens een waagstuk, het was nachtbraken, schaven en vijlen, schrijven en schrappen.
Jezelf in the picture schrijven was toen completely not done en vooral ongezouten kritiek leveren op politici, vedettes en de media zelve. Maar wie er de compilatie van zijn teksten in “Ooggetuige, Niemands meester, niemands knecht” (Brigitte Raskin, Halewyck) op naslaat merkt ook dat Anthierens wel eens iets meer deed dan in een vitrine op de Gentse Coupure souperen of Lutgart Simoens schofferen .
Tiranniek taalvirtuoos
Hij sluisde heikele onderwerpen, ontmoetingen met fellow minds en superbe proza in die kroniek. Anthierens was een schrijver en kijker: meedogenloos als toeschouwer en een tirannieke taalvirtuoos. Drie bladzijden in een tijdschrift was voor een politiek issue geen uitzondering maar als je soms zo goed als over niets schreef moest je zo goed als een schrijver zijn.
Anthierens kon vanuit zijn keuken een prachtig relaas schrijven over zwaarbeladen kerselaars. Niet toevallig de keuken want het huis in Asse bruiste van leven met zijn nieuwe samengestelde gezin en nooit was het ergens altijd veilig om de kroniek in opperste concentratie te voltooien.
Tussen de regels door kon het Vlaanderen, dat zichzelf nog aan het emanciperen was, zijn professionele, echtelijke en ouderlijke peripetieën volgen. Het was onthullen en verhullen met te mooie brieven aan zijn zoon (heulen met een veulen) en dochter en aubades aan Elisabeth die plots voor een Antwerps uitstalraam was opgedoken en hem en de kroniek nooit meer verliet.
Het was hart en hard op de tong wat hij schreef, met zinnen om uit te spellen en uit te spelen (door het gaas van mannenwimpers worden vrouwen dag en nacht bespied…), op de rand van het literaire en er over. Het was telkens de halve marathon, desnoods op een been maar met finish.
Zijn bruggen verbrand
Je kon schwärmen met Anthierens of hem hartsgrondig haten. Meer marge was er niet. In werkelijkheid hadden we te maken met een innemend, kwetsbaar en rusteloos man. Dat hij met De Zwijger begon en vervolgens met een hellegang niet zozeer van zijn populariteit maar van een lezerspubliek verstoken bleef was tragisch. Alle clichés die de ronde deden en doen: zijn bruggen verbrand, enfant terrible, dwarsligger doen er niet toe. De journalistiek lustte hem niet meer. Ze stonden allemaal bij zijn uitvaart in aula Q van de VUB te treuren over zijn afscheid vergetende dat zijn talent voor het rapen had gelegen.
Hij begon op een blauwe maandag een eigen nieuwsbrief en terloops werd er in De Morgen, Markant of de Volkskrant nog eens iets gepubliceerd. Hij maakte televisie maar dat was zijn ding niet. Zich in een panel verschuilen was hem op het lijf geschreven maar beleefd een talkshow hosten was niets voor een man die het hart/hard op de tong had.
Hij schreef boeken en pamfletten waarin onverholen ergernis en verontwaardiging de toon voerden. Johan kon obsessief bezig zijn met onze tricolore tranen, met Brel en Elsschot maar er was iets gebroken. Er zijn talenten die verwelken als je ze niet met zorg en aandacht omringt.
Op zichzelf is het afscheid van Knack allicht bepalend geweest voor de vrije val waarin zijn carrière en hijzelf terecht kwamen. Hij zou daar ook niet voor eeuwig een kroniek gedreven hebben. Johan moest tegelijk omkaderd en vrij gelaten worden zonder sores. Bij Knack en zelfs nog bij De Zwijger waren die voorwaarden vervuld. Johan was overigens de derde Dalton: naast Jef en Karel die hem hun hele leven geïnspireerd, desgevallend gecorrigeerd en vereerd hebben.
Karel Anthierens was zijn eindredacteur, oudste Broer Jef een stout voorbeeld. De jongste van de kluit was bij Dupuis en Humoradio, van de lay-out tot het hoofdredacteurschap van Bonne Soirée, gepokt en gemazeld geworden.
L’inaccesible rêve
In zekere zin waren de jaren zeventig en tachtig grijs genoeg om zo’n kleurrijk chroniqueur te (ver)dragen. Ik durf te betwijfelen dat Johan’s kroniek nu nog zou werken in een blad. Het paste bij de époque. En zijn Zwijgerperiode was als een ommekeer bedoeld: journalistiek die vrank en vrij zou zijn. Anthierens was een geus, een Don Quichote die net als Brel op zoek was naar l’inaccesible rêve.
Wat laat je na als virulent scribent? Wel Anthierens heeft zonder twijfel een hele generatie journalisten en schrijvers aangestoken om directer te schrijven en zorgzaam en verliefd flirtend met de taal om te gaan. Als je met hem gewerkt hebt, zoals onderstaande, heb je iemand die je hele leven teder-lakoniek berispend over je schouder meekijkt.
Gerrit Six is docent NT2, scenario-schrijver, webmaster van sixlog.be en columnist bij Radio1 Stories.
@Allen: lees de regels voor deelname aan onze discussieforums - mod






30/03/2010 om 08:56
Wie was hij, waarom was hij zo, was hij een goed mens? Ach die gewone mens, nobele onbekende, stille wroeter, hunkerend mensje van wieg tot graf, verwonderd, nooit bewonderd, gul en gierig tegelijk, zonder grafschrift, zonder collum op zijn naam gekleefd, verdord blad, verdwenen nevel in het morgenlicht, mens zonder geschiedenis, goed mens zonder kapsones, geworteld in gronden van verdriet en vreugd. Dat was Anthierens misschien wel niet en is dat niet de mens die we stilletjes zouden moeten willen zijn?