Nu Ai Wei Wei vervolgd dreigt te worden voor een “economisch” misdrijf door de Chinese autoriteiten, is misschien het moment gekomen dat ook onze economische actoren in China kleur bekennen.
Waarom moeten Steven Vanackere, Obama en andere Barroso’s wel stante pede een standpunt innemen, als Ai Wei Wei onzacht in aanraking komt met de Chinese ijzeren arm, maar wordt dat niet verwacht van de talloze Westerse zakenlui en investeringsbanken die op dit ogenblik in China actief zijn en er vaak grof geld verdienen? Waarom krijgt Bob Dylan een storm van kritiek omdat hij vorige week bij een optreden in Beijing Ai Wei Wei op geen enkel moment vermeldde, en er zijn beroemde protestsongs niet speelde, zoals hem vooraf was gevraagd door de autoriteiten, allicht wegens “niet opportuun in de huidige omstandigheden”?
Terwijl captains of industry als baron Buysse en Bert De Graeve, om er maar een paar te noemen met belangen op de Chinese markt, zich veilig in de slipstream van politici mogen verschuilen, en er op geen enkel moment een standpunt van hen ter zake verwacht wordt. Onze kunstenaars en artiesten “horen” daarentegen wel een standpunt in te nemen. Het verwijt van ‘parallelle diplomatie’ te voeren geldt duidelijk niet voor hen.
Waarom zo terughoudend?
Misschien moeten Westerse CEO’s zich stilaan eens wat vragen beginnen stellen bij hun beleid t.a.v. autoritaire regimes, en meer in het bijzonder China. Die aanpak berust op twee pijlers. Ruddy Doom stelde vorige week dat velen onder hen (net als vele Westerse toppolitici trouwens ) achter de coulissen denken dat China op dit ogenblik meer gebaat is bij ‘stabiliteit’ dan bij democratisering die allicht tot populistische turbulenties zou leiden. Waarmee ze blijk geven van dezelfde cynische mentaliteit die ze eerder tentoon spreidden t.a.v. Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Waar dat toe geleid heeft, weten we ondertussen.
Ten tweede geloven velen allicht oprecht dat ze een positieve rol spelen in China, door er te investeren en er jobs te creëren, en “gaat het voorts de goeie weg op, op de lange termijn”, met de politieke vrijheden in dat land. Het eerste wil ik niet ontkennen: westerse bedrijven als Bekaert leveren goed werk in China, want ze creëren er inderdaad jobs voor Chinezen en doen dat aan voorwaarden die vaak beter zijn dan in Chinese bedrijven. Dat het toch vaak fout loopt met werkomstandigheden, vooral bij toeleveranciers, (zie de zaak Foxconn en Apple) , is te wijten aan het tweede deel van mijn zin. Het gaat voorlopig niet de goeie kant uit, in China. De communistische partij, die enorme verdiensten heeft gehad bij de transitie van de afgelopen dertig jaar - laat daar geen misverstand over bestaan - is op dit ogenblik eerder een obstakel geworden om China daar te brengen waar het thuishoort: een supermacht, de 21ste eeuw waardig.
Rotary-club
De KP is anno 2011 een goed geoliede beleid- en netwerkmachine, die veel weg heeft van een veredelde Rotary-club met een kleine 70 miljoen leden, en waar ideologie nog slechts een minimale rol speelt. Door de enorme machtsbelangen hebben velen van die functionarissen, zeker die op de hogere echelons, bitter weinig te winnen bij democratisering. De Gini-cijfers spreken boekdelen, de Gini-cijfers als je de ‘grijze economie’ ook in aanmerking neemt, nog veel meer.
De toegenomen vrijheid van Chinezen is inderdaad niet meer te vergelijken met die onder Mao, maar je kunt niet blijven verwijzen naar de situatie van 40 jaar geleden, om te wijzen op vooruitgang. Feit is dat China een bepaalde mate van democratisering broodnodig heeft, om het debat voluit te kunnen voeren, of het nu gaat over de enorme ongelijkheid in de samenleving, de rampzalige milieusituatie, of buitenlandse hot issues. Michael Moore en Noam Chomsky mogen dan misschien luizen zijn in de pels van George Bush en de neoconservatieven, ze mogen wel hun ding doen. Ai Wei Wei en Liu Xiaobo wordt de mond gesnoerd, en vele andere Chinese dissidenten ondergaan een gelijkaardig lot.
Democratie
Iedereen begrijpt dat de Chinese elite niet staat te springen om een “messy” democratie à la Americaine in te voeren, gezien de enorme problemen waar die momenteel mee kampt – de belangenverstrengeling tussen Congresleden, Wall Street bankiers en lobbyisten is die tussen de KP mandatarissen en de Chinese business-elite meer dan waard. Het is dus het goed recht van Chinezen om een soort hybride regime te creëren, waarbij een bepaalde mate van democratisering zou gekoppeld worden aan het behouden van een langetermijnvisie, of waarbij evenveel aandacht is voor politieke en burgerlijke mensenrechten, als voor sociale en economische rechten en collectieve rechten zoals het recht op ontwikkeling. Maar ze kunnen niet verdergaan zoals ze bezig zijn. Op dit ogenblik lijkt me de ‘angst voor chaos en instabiliteit’ als motief om niet te democratiseren bij Chinese beleidsmakers, kleiner geworden dan het zich domweg vastklampen aan de macht, en de enorme voordelen die daarmee samengaan.
De partij is een obstakel
De uitdagingen van de 21ste eeuw zijn te complex om die aan te kunnen zonder echt debat. Dat is in China niet anders als bij ons. Ik ben ervan overtuigd dat China en haar gedreven bevolking wel degelijk het potentieel heeft om in de 21ste eeuw haar rechtmatige plaats op te eisen, maar ik ben er evenzeer van overtuigd dat de KP ondertussen veeleer een obstakel geworden is dan een asset, om dat ook te realiseren. Democratisering is urgent. Overigens zou de KP allicht zelfs een erg belangrijke rol blijven spelen bij verkiezingen, de partij is immers vrij populair, want iedereen – zeker de middenklasse - beseft terdege hoe hun levensstandaard erop vooruitgegaan is de jongste decennia.
China zal lastige horzels als Ai Wei Wei echter broodnodig hebben, de volgende decennia, om het debat tot op het bot te kunnen voeren. Om maar één voorbeeld te geven: het nieuwe “groene” China is een grap, zolang tezelfdertijd de KP-elite zich blijft voortbewegen in een stoet van zwarte Audi’s, er een resem water vretende golfterreinen voor de elite worden aangelegd, om nog maar te zwijgen van de protserige KP gebouwen die veel Chinese steden ontsieren. De dissonantie tussen het duurzame beleid dat de Chinese regering zegt te promoten, en de statusgevoeligheid en rauwe materialisme en consumptiedrang van veel van haar mandatarissen is te groot, en dat heeft uiteraard zijn effect in de samenleving die ook niet van gisteren is.
Corporate social responsibility
Wat me terugbrengt bij onze westerse bedrijfsmensen. Velen klagen steen en been over de toenemende problemen om op de Chinese markt te mogen opereren, en de voordelen die Chinese bedrijven hebben, bijvoorbeeld bij overheidscontracten. Maar je hoort ze niet over de mensenrechtensituatie. Terwijl ze toch de afgelopen jaren vaak bedrijfsterreinen voor een prikje hebben verworven, en gebruik hebben gemaakt van een situatie waarbij milieunormen ofwel niet bestonden ofwel moeilijk geïmplementeerd raakten, om nog maar te zwijgen over de voor werkgevers wel erg “makkelijke” situatie waarbij er geen onafhankelijke vakbond is. Het wordt stilaan tijd dat de Westerse captains of industry iets terugdoen voor de Chinese samenleving, naast het creëren van jobs, al was het maar om enige inhoud te geven aan ‘corporate social responsibility’. Dat het op korte termijn niet bijster goed zal zijn voor hun business, daar kan ik inkomen, maar bij een verenigd standpunt van Westerse werkgevers zal China heus niet iedereen buitengooien. De Chinese autoriteiten kunnen alle jobs gebruiken, die gecreëerd worden in dit land, op dit ogenblik. Laat dus je stem horen, loudandclear, Bert, Paul en co, en blijf je niet verschuilen achter “we moeten de wetten van dit land respecteren”, of “we moeten vermijden om met het westerse moralistische superieure vingertje zwaaien”. Dat heeft er allemaal maar weinig meer mee te maken.
Laat het niet alleen over aan informatiebedrijven zoals Google of aan mensen als de afscheidnemende Amerikaanse ambassadeur in Beijing, John Huntsman. Recent haalde die laatste wel snoeihard uit naar de Chinese regering, op een high-profile event in Shanghai nog wel. En dat voor een diplomaat die vloeiend mandarijn spreekt, en zich maar al te bewust is van de angst om gezichtsverlies bij Chinezen. Profilering heeft er misschien wat mee te maken, nu hij een kandidatuur overweegt als Republikeins presidentskandidaat, maar je moet het toch maar doen. Het mag misschien ietsje diplomatischer dan dat, Bert, Paul en co, want de KP heeft veel gerealiseerd de afgelopen decennia. Maar laat je stem horen, en blijf je niet verschuilen achter de brede rug van minister van Buitenlandse Zaken Steven Vanackere. Die man heeft het al druk genoeg dezer dagen.
Kristof Decoster
(De auteur werkt bij het Tropisch Instituut en verbleef drie jaar in China)
@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus - mod





