Er is de laatste tijd al heel wat geschreven over de toekomst van de industriële nijverheid in onze regio. Deze discussies laten vanzelfsprekend ook onze organisatie niet onberoerd. Het ABVV pleit reeds lang voor de ontwikkeling van nieuwe toekomstperspectieven voor onze industriële sectoren en is als één van de weinigen nooit mee gestapt in het verhaal van de zogenaamde postindustriële diensteneconomie.
Het onderscheid tussen industrie- en dienstensectoren mag dan wel vager worden, het blijft de industrie die de grootste productiviteitswinsten boekt en daarmee een belangrijke bijdrage levert aan onze economische groei. Onze export bestaat zelfs nog steeds voor ca. 90 procent uit industriële producten. Dit alles betekent natuurlijk niet dat dienstenactiviteiten minder waard zijn dan industriële, maar wel dat de commerciële diensten moeten kunnen steunen op een stevige industriële basis.
Op dit moment legt de Vlaamse Regering de laatste hand aan haar lang verwachte Witboek voor een Nieuw Industrieel Beleid in Vlaanderen. De regering zegt met dit beleidsplan de transformatie van de industriële activiteiten in Vlaanderen te willen versnellen. Het is evenwel belangrijk om bij het opmaken van dit witboek te vertrekken van de juiste diagnose om vervolgens geschikte remedies te kunnen voorstellen. Zo krijgen we met de regelmaat van de klok doemscenario’s te horen over het voortbestaan van de industrie in Vlaanderen. Daarbij wordt nogal eens makkelijk gepleit voor oude recepten als loonmatiging en algemene fiscale kortingen voor bedrijven om te verhinderen dat deze met de noorderzon zouden vertrekken.
Het is echter onjuist om naar de globalisering (dmv. delokalisering) te wijzen als hoofdreden voor de sterke vermindering van onze industriële tewerkstelling de afgelopen jaren en het afnemend aandeel van deze sector in de toegevoegde waarde. Het zijn namelijk de continue productiviteitsstijgingen in de industriële bedrijven die ervoor zorgen dat we vandaag meer goederen produceren, met minder mensen en tegen lagere prijzen. Zo bedroeg de gemiddelde arbeidsproductiviteit in 1999 van een werknemer in de industrie 66.900 euro. In 2009 was dit al 81.900 euro (een productiviteitsstijging van gemiddeld 22 % op tien jaar tijd).
Daarmee wil ik zeker niet gezegd hebben dat er geen vuiltje aan de lucht is, noch is dit een pleidooi voor zachte heelmeesters. Wel hebben we eerder nood aan gerichte chirurgische ingrepen dan aan losgeslagen beenhouwers op het vlak van loonvorming en fiscaliteit. Als er zich in specifieke industrietakken problemen voordoen op het vlak van loonkosten of fiscale lasten, zullen wij het debat daarover nooit uit de weg gaan. Maar als generiek beleid is hierop inzetten weinig creatief en hiermee zal ook geen enkele weggeautomatiseerde job terugkeren.
Nood aan een drieledige investeringsagenda
Vanuit werknemersperspectief zijn er drie belangrijke assen waar het nieuwe industrieel beleid moet op inzetten: investeren in belangrijke maatschappelijk behoeften, investeren in onderzoek en ontwikkeling en investeren in mensen.
Het transformatieproces moet geënt worden op het tegemoetkomen aan huidige of in de nabije toekomst voorspelbare maatschappelijke behoeften. De vergroening van onze economie en het voorbereiden van de gevolgen van de vergrijzing vormen daarbij twee belangrijke speerpunten. Voorbeelden uit het verleden tonen aan dat het werken met grote projecten hierbij een mobiliserend effect kan hebben voor heel de economie. Niets weerhoudt onze regering ervan ambitieus te durven zijn in het formuleren van projecten op het vlak van CO2-reductie of het bestrijden van fijn stof. Zo kondigde de Zweedse Regering in 2006 al aan tegen 2020 de eerste olieonafhankelijke economie ter wereld te willen worden.
Om de competitiviteit van onze industrie op peil te houden zijn voldoende investeringen in onderzoek en ontwikkeling onontbeerlijk. Dit geldt zowel voor de financiering van grensverleggend fundamenteel onderzoek, als voor het investeren in de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten. De Vlaamse Regering is in het regeerakkoord en in het Pact 2020 het engagement aangegaan om tegen 2014 de zogenaamde drie procent norm te halen. Volgens deze norm moet een land 3 % van zijn BBP investeren in onderzoek en ontwikkeling. Deze inspanning moet zowel gedragen worden door de overheid (1 %) als door de bedrijven (2 %).
Door de besparingsdrift van de afgelopen jaren staat het nu al vast dat de overheid haar deel van deze norm in 2014 niet meer kan halen. Het valt zelfs sterk te betwijfelen of de Vlaamse Regering haar Europees engagement, om deze norm tegen 2020 te behalen, zal kunnen nakomen zonder op zoek te gaan naar bijkomende inkomsten. Maar ook de bedrijven staan met een investeringstotaal van 1,40 % van het BBP in onderzoek en ontwikkeling nog ver af van de vooropgestelde 2 %.
In een kleine regio als Vlaanderen kunnen de schaarse middelen best ingezet worden op een beperkt aantal clusters, waar we het potentieel hebben om werkelijk een competitief voordeel uit te bouwen. De Vlaamse Raad voor Wetenschaps- en Innovatiebeleid heeft reeds een verdienstelijke poging ondernomen om enkele speerpunten naar voor te schuiven. Toch kan deze oefening nog verfijnd worden. Het Waalse Marshallplan kan hierbij met zijn vijf duidelijk afgebakende concurrentiepolen tot inspiratie dienen.
Vanzelfsprekend moet het nieuwe industrieel beleid ook bouwen aan een stevige sociale pijler. Een toekomstgericht samenleving investeert volop in de opleiding van haar bevolking. Levenslang leren is niet alleen een verantwoordelijkheid van de werknemer, ook de overheid en de werkgevers moeten hun duit in het zakje doen. In België investeren de bedrijven slechts 1 % van de totale loonmassa in de opleiding van hun personeel. Veel minder dan in Nederland, het Verenigd Koninkrijk of de Scandinavische landen. Ook veel minder dan de 1,9 % die de werkgevers beloofden te investeren bij het ondertekenen van het IPA 2007 – 2008.
Niet alleen op het vlak van opleiding kan er nog vooruitgang geboekt worden, ook het verhogen van de werkbaarheid in de industrie is een grote uitdaging. Nog te vaak wordt werken in de industrie geassocieerd met repetitief en afstompend werk. Werkbaar werk betekent volgens de definitie van de Sociaal-Economische Raad Vlaanderen (SERV) dat werknemers geen last hebben van werkstress, gemotiveerd zijn, voldoende leermogelijkheden krijgen en werk en privéleven goed kunnen combineren. Het benutten van alle talenten betekent ook dat werknemers meer inspraak krijgen in hun takenpakket en dat de werkorganisatie wordt ingevuld op maat van de werknemers. Bovendien is een hogere werkbaarheidsgraad de belangrijkste stap naar een hogere werkzaamheidgraad.
Kiezen voor overleg
Het is duidelijk dat de discussie over de toekomst van onze industrie niet alleen een zaak kan zijn van politici, enkele academici en werkgevers. Deze discussie belangt alle Vlaamse werknemers aan. Momenteel worden de vakbonden op bedrijfs- of sectorniveau te vaak pas aan tafel gevraagd wanneer er grote herstructureringen op het menu staan. We moeten dus tot een verbreding van de inhoud van de sociale dialoog komen en als vakbond volwaardig betrokken worden bij de uitwerking van strategische sectorale actieplannen.
Ook binnen onze eigen organisatie zullen we hiervoor meer inspanningen moeten leveren. Recent onderzoek naar innovatie op de werkvloer wijst uit dat de meeste innovatieve ideeën binnen een bedrijf vanuit het personeel komen en zeker niet alleen vanuit het management of de O&O-afdeling. Maar recent onderzoek van de Nederlandse socioloog Han Bakker toont aan dat het management in bedrijven vaak weinig openstaat voor creatieve ideeën van het personeel. Het uitbreiden van de sociale onderhandelingen naar het bespreken van innovatieve ideeën geeft de mogelijkheid om de onschatbare ervaring en ideeën van onze tienduizenden leden en militanten aan te wenden voor het versterken en verduurzamen van onze industrie.
Caroline Copers
(De auteur is algemeen secretaris Vlaams ABVV)
@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus - mod






27/04/2011 om 22:05
Ben aan mijn 3de bedrijf toe waaronder toonaangevende multinationals.
Ik stel in al die bedrijven vast dat de jacht op overheidsgeld voor “onderzoek en ontwikkeling” op zich een hele industrie geworden is.
Frauduleuze dossiers zijn de norm.
Ook worden ganse subsidiebudgetten gewoon doorgesluisd naar onderaannemers in China en India.
Op deze wijze verder werken met meer overheidsgeld zal ons echt geen nieuwe jobs opleveren.
Werk eerst een robuust en transparant systeem uit alvorens de budgetten op te krikken.
Maak aantoonbaar dat subsidies het land iets opleveren.
Werk, vooral voor multinationals, boetesystemen uit.
Miljoenen euro’s aan onderzoekssubsidies pompen in een multinational die een paar jaar later (met datzelfde geld?) gewoon collectief onderzoekers ontslaat, is ethisch onjuist.
28/04/2011 om 01:32
Ik heb de indruk dat het ABVV alle macro-economische theorieën en wetmatigheden en recente tendensen heeft bekeken en dan zegt: “Neen, het is allemaal niet waar! Ze liegen! Het is helemaal omgekeerd!”.
Industrie heeft geeeeeeen toekomst meer in West-Europa (en zeker niet in België)
Hoge loonkost en flagrant gebrek aan flexibiliteit zijn de grote oorzaken (voor een groot stuk veroorzaakt en aan vastgeklampt door het ABVV). Alle arbeidsintensieve sectoren (industrie) verhuizen naar China, India, Brazilië en andere opkomende economieën (die een veel gunstiger klimaat hebben door liberalere wetgeving). Bovendien zorgt de technologie dat we vele van deze taken geautomatiseerd kunnen doen.
Dit alles zijn vaststaande feiten waar je voor of tegen kunt zijn.
Wat stelt het ABVV hier voor? Laat ons, als ABVV, nog meer tussenkomen in de economie en laat het ABVV ‘meewerken in het uitwerken van strategische macro-economische plannen’.
Anders verwoord: laat ons van België een planeconomie maken (het ABVV is en blijft een extreem socialistische organisatie) en laat ons belastinggeld gebruiken om sectoren te financieren die absoluut geen toekomst hebben in Europa (omwille van bovengenoemde tendensen en wetmatigheden).
Hoeveel moet het nog gezegd worden? Plan-economieën zijn bewezen inëfficient en zorgen op termijn voor enorm welvaartsverlies. Kijk naar zowat heel Afrika, Cuba, Rusland en het Oostblok,…
Wil je een concreet voorbeeld? Google dan maar eens wat er is gebeurd met het Aralmeer…
Wat moet wel gebeuren? Geef bedrijven zuurstof om te kunnen functioneren. Nieuwe technologieën, werkgelegenheid en welvaart volgen van zelf. Het ABVV kan beginnen met zich wat redelijker op te stellen en de paar industrieën die nog in België zijn, niet weg te jagen door ongeoorloofd gestaak en onredelijke eisen. (bv. Opel)
28/04/2011 om 11:41
Neen, ik geloof niet dat de industrie “stupid” is. Er is hier in feite veel meer aan de hand. Het gewoon een feit dat wij in de wereld met (min of meer) hoog-ontwikkelde landen te maken hebben, welke een aan hun ontwikkeling aangepast sociaal stelsel en (relatief) hoge lonen hebben. Daarnaast is er een groep zeer grote, maar nog laag-ontwikkelde landen, waar gedeeltelijk door de daar heersende bestuursvorm de sociale lasten en lonen (zelfs kunstmatig) laag gehouden worden, met de bedoeling om industriele bedrijvigheid aan te trekken. Dit lukt ook buitengewoon goed, wanneer we b.v. naar China en in wat mindere mate naar India kijken, waar bedrijven met honderd duizend en meer werknemers ontstaan om b.v. de I-phones, gympschoenen (Nikies) enz. voor de USA en de rest van de wereld te produceren.
We hebben zo’n ontwikkeling al eerder gezien met de video-recorder, welke tenslotte in de USA is geconcepieerd en geconstrueerd, maar waarvan Amerika er nooit een gebouwd heeft, omdat de productie zelf direct overgenomen (uitbesteed) werd aan Japan, Taiwan en het laatste restje dan nog naar China. Met televisies en CD-spelers gaat het dezelfde kant op (zie Philips) en China, Korea en Taiwan bouwen het leeuwendeel van onze computers en zo kan ik doorgaan.
Zolang de regeringen niet in willen zien, dat een vrije handel NIET mogelijk is tussen landen met een groot verschil in lonen en sociale kosten en daarvoor maatregelen nemen, zullen wij in toenemende mate onze industrie zien verdwijnen naar die lage-kosten landen en blijft er voor ons slechts een service economie over in de vorm van banken, verzekeringsmaatschappijen, ontwikkelingsmaatschappijen, toezichthoudende maatschappijen over de technologie transfer, advocaten om alle patenten zo goed en zo kwaad als dat gaat te verdedigen etc.
Wanneer wij onze industriele bedrijvigheid willen behouden (en dat is een “must” om onze laag opgeleide mensen aan passend werk te helpen!), zullen de (westerse) regeringen ‘nolens volens’ een systeem moeten ontwikkelen, waarbij de productiekosten voordelen door die lage loon- en sociale kosten worden wegbelast. Dit is honderd maal effectiever dan door allerlei staatssteun en subsidies industriele bedrijvigheid hier te houden. Zie als voorbeeld Opel, waar Belgie gewoon de subsidiestrijd met Duitsland verloor en Opel-Antwerpen na jarenlange suibsidies en allerlei steunmaatregel toch heel gewoon dicht ging. Dat de industrie deze subsidie wedstrijd uitspeelt en misbruikt is niet goed, maar gezien vanuit hun optiek om winst te maken, wel logisch.
Natuurlijk speelt hier de loon- en arbeidskostenproblematiek ook een belangrijke rol. Ik zal de laatste zijn om te beweren dat de arbeiders geen loonsverhoging verdienen of zouden mogen ontvangen. Echter, wat Mevr. Caroline Copers hier zegt van de toegenomen productiviteit per arbeider is een leuk statistisch gegeven, maar geeft natuurlijk een volkomen verkeerde beeld. Indien deze productiviteit met 22% in tien jaar tijd is toegenomen, dan is dat 2,2% per jaar. Dat is echter slechts voor een klein deel te danken aan het harder werken van de arbeiders en voor een veel groter deel aan een doorgedreven automatisering, die de bedrijven een pak geld kostte. De schrijfster vergeet erbij te vermelden met hoeveel procent de lonen en de arbeiskosten in diezelfde periode zijn toegenomen, incl. de z.g. indexaanpassingen wat in feite ook loonsverhogingen onder een andere naam zijn.
Zou ze dat wel hebben gedaan, dan zouden we hebben gezien dat een productiviteitsverhoging van 22% in die 10 jaar meer dan opgesoupeerd is geworden door een grotere toename van onze arbeidskosten en dat wij ons zogezegd ‘in eigen vlees hebben gesneden’.
Facit: Zoals we bovenstaand kunnen zien, heeft een verhoging van subsidies of ontwikkelingskosten in welke vorm dan ook geen enkele zin, wanneer wij doorgaan onszelf te ruineren door net te doen of de rest van de wereld niet bestaat en of wij op een eiland zitten, waar wij rustig onze eigen gang kunnen gaan. Wij zullen ons ‘nolens volens’ aan die wereld moeten aanpassen en de stijging van onze eigen arbeidskosten moeten beteugelen! Of dit moet door het index-systeem aan te passen, zoals Mevr. Merkel dit voorstelt laat ik aan experts over. Verder zullen we ook ‘nolens volens’ de enorme verschillen in arbeidskosten tussen de z.g. lage-loon landen en ons land moeten wegbelasten, een wapen echter wat met de nodige voorzichtigheid gehanteerd moet worden, omdat mede onder invloed van de vakbonden dit snel kan verworden tot een protectie, om zodoende de locale lonen op te kunnen jagen om hun leden aan te tonen hoe geweldig veel ze wel voor hun leden doen.
28/04/2011 om 12:07
zou het misschien niet kunnen dat de ongeremde groeidwang waarvoor zowel vakbonden als industrie zelf voor pleiten de eigenlijke kern van onze problemen is? waarom hebben wij nog steeds een alsmaar groeiend BNP nodig (industrieel of niet)? We zijn er sinds de jaren ‘60 ruim dubbel zo rijk op geworden (in BNP-termen), maar niet meer gelukkiger op geworden. Dat zou zowel vakbonden als bedrijven tot nadenken moeten stemmen. Mensen willen niet meer welvaart, maar meer welzijn!
28/04/2011 om 12:51
Wanneer de economie groet verdwijnen er bossen; waarom moet de economie groeien? Meer groei, meer vervuiling! Mocht Vlaanderen groener zijn dan zouden we onze kinderen opnieuw buiten kunnen laten spelen en dan zou een vakantie vaak niet nodig zijn!
28/04/2011 om 22:36
Wanneer naar productiviteitsstijging verwezen wordt, zoals ook door kameraad Copers, verliest men een belangrijk gegeven uit het oog. Dat gegeven is de evolutie van de samenstelling van het productieproces. Indien je 1980 wil vergelijken met 2010 is er op het eerste gezicht een belangrijke toename van de output per gepresteerd uur.
Deze vaststelling echter niet helemaal waarheidsgetrouw. Enerzijds vergeet men, zoals aangehaald door Dirk Tasselaar hierboven, dat die outputgroei per jaar eerder klein is en dat hij in hoge mate gerelateerd is aan automatisering (en dus afbouw van werkgelegenheid), anderzijds moet men ook erkennen dat ondertussen hele stukken van het productieproces gewoon verplaatst geworden zijn en worden uitgevoerd door onderaannemers en toeleveranciers, wier tijdsbesteding dus onttrokken wordt aan de berekening.
In het aantal manuren, dat 30 jaar geleden nodig was om een wasmachine te bouwen, was ook de inspanning van bijv. het fabriceren van de buitenkant inbegrepen (metaal snijden, plooien, schilderen, harden, enz.). Nu worden de lege buitenkanten in, zeg, Zuid-Korea gemaakt en naar Europa verscheept om er geïntegreerd te worden in een afgewerkt product. Dat er dus een sterke daling is van de inspanning, die door de kennelijke fabrikant moet geleverd worden, is normaal, hij heeft hier echter geen verdienste aan. Indien men de productiviteitsevolutie zou bekijken van de processtappen, die gedurende de hele periode onder het beheer van de merkhouder zijn gebleven, vrees ik dat we zullen vaststellen dat de winst marginaal is.
Ironisch genoeg, gezien het argument van kameraad Copers, is de innovatie, waaraan gewerkt is geworden, er tot op heden vooral op gericht geweest productieprocessen opdeelbaar en, uiteindelijk, uitbesteedbaar te maken, liefst naar landen waar de loonkost veel lager ligt dan hier. Dat zal in de toekomst niet anders zijn.
Waar natuurlijk wel nood aan is, is veel meer O&O op het vlak van het meer ecologisch verantwoord maken van bepaalde processen. Zowel op het vlak van energiehuishouding, als van gebruik van schaarse materialen is er veel werk aan de winkel. Ik vrees echter dat dit hoegenaamd geen werkgelegenheid zal scheppen voor de laagopgeleiden. Zodra een industrieel proces stabiel is en klaar voor massaproductie, nemen de oude economische wetmatigheden over en zal de zgn. bescherming, en vooral de starheid, die het ABVV verdedigt, ertoe leiden dat het arbeidsintensieve deel verkast naar een BRIC-land of naar elders waar de verwachtingen van de arbeiders veel lager liggen dan in Europa…