Is Vlaanderen de primus van Europa, waar armoede nauwelijks bestaat, iedereen gezond is en aan de slag, en we met zijn allen in een eigen huis wonen? Helaas. De recente, euforische berichtgeving over de omvang van de armoede in Vlaanderen is niet alleen misleidend, maar zelfs ronduit foutief. Zoals wel vaker is de werkelijkheid minder rooskleurig, en in dit stuk willen wij graag de puntjes op de i zetten.
Aantal armen: 25 000 of 700 000 ?
Op basis van het rapport ‘De Sociale Staat van Vlaanderen 2011’ concludeert de Vlaamse regering in een persbericht dat “slechts 0,4% van de Vlamingen kennen én een lage werkintensiteit én zijn sterk materieel gedepriveerd én hebben een financieel armoederisico.” Volgens een VRT-journalist wordt dit “diepe armoede” (Eén middagjournaal, 16/06), terwijl een redacteur van De Standaard het heeft over “nieuwe criteria” om als arm te worden beschouwd (DS 16/06). En volgens dit “nieuwe criterium” is er dus nauwelijks armoede in Vlaanderen, die 0,4% niet te na gelaten.
Als auteurs van het hoofdstuk over armoede en ongelijkheid in het desbetreffende rapport willen we bovenstaande beweringen ontkrachten. Ze kloppen immers niet. Armoede wordt nog steeds op dezelfde manier gemeten als voorheen: wie minder heeft dan 60% van het mediane (niet het gemiddelde) beschikbare inkomen in het land waar hij of zij woont, wordt beschouwd als inkomensarm. In Vlaanderen gaat het om 11% van de mensen, in België om 15%. Ruw geschat wordt het aantal armen in Vlaanderen met zo’n 675.000 onderschat door het gebruik van de verkeerde definitie. Er bestaat ondertussen geruime tijd consensus over de armoededrempel: het weerspiegelt een gebrek aan middelen en betekent uitgesloten zijn van het normale levenspatroon in onze samenleving. Inkomensarmoede meten is geen kwestie van statistische hocus pocus: in Vlaanderen weten we dat de drempels op basis van de 60% van de mediaan goed overeen komen met de minimale budgetten die gezinnen nodig hebben om een gezond menswaardig leven op te bouwen. Op de website van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck ontwikkelden we een handige tool waar mensen hun eigen armoederisico kunnen berekenen (www.centrumvoorsociaalbeleid.be/inkomensverdeling).
Uitbreiding van de armoede-indicator
Van waar dan de verwarring? Op het Europese niveau is vorig jaar afgesproken om, omwille van de grote welvaartsverschillen in de Oost- en West-Europese landen (en ook wel omwille van een politiek compromis) de armoede-indicator in het kader van de Europa 2020-strategie uit te breiden (niet te vervangen!) met twee bijkomende indicatoren om ‘sociale uitsluiting’ beter te weerspiegelen: leven in een ‘huishouden met een lage werkintensiteit’ (lees: een huishouden waar zo goed als niemand werkt) en ‘materiële deprivatie’ (lees: het ontberen van een aantal goederen die als cruciaal worden beschouwd zoals gezonde voeding, geen achterstallige betalingen, de woning kunnen verwarmen, …). Dit is geen nieuwe manier om armoede te meten, maar een uitbreiding ervan. Mensen worden beschouwd als ‘arm of sociaal uitgesloten’ wanneer ze op een van de drie criteria slecht scoren (en niet op de drie tegelijk, zoals verkeerdelijk werd bericht). Het gaat dus om een bredere maatstaf dan inkomensarmoede alleen. Deze uitbreiding heeft tot gevolg dat het meer mensen in Vlaanderen aan de criteria voldoen (18%) om de eenvoudige reden dat niet iedereen die inkomensarm is ook in een huishouden met lage werkintensiteit woont en vice versa. Interessant om weten is dat deze uitgebreide indicator zal gebruikt worden op het Europese niveau om de vooruitgang in de strijd tegen armoede af te meten (doelstelling: reductie van het aantal armen volgens de uitgebreide indicator met 20 miljoen tegen 2020).
Terug naar Vlaanderen dan. In ons hoofdstuk voor het rapport staan we stil bij armoede en inkomensongelijkheid in Vlaanderen. We meten de evolutie en vergelijken met goed presterende Europese lidstaten. Wij hebben ook berekend hoe de uitgebreide armoede-indicator voor Vlaanderen eruit ziet wanneer we de samenstellende delen elk apart onder de loep nemen. Dit doen we zodat de Vlaamse overheid weet waar de pijnpunten zich bevinden en wat er gedaan kan worden om de armoede in Vlaanderen te verminderen. Uit deze oefening bleek dat 0,4% van de Vlamingen slecht scoren op alle drie de elementen van de uitgebreide armoede-indicator, en 0,9% van de Vlamingen uitsluitend materieel gedepriveerd zijn. Wat we hieruit kunnen concluderen is niet dat armoede quasi onbestaande is in onze regio, maar wel dat er geen groot probleem van materiële deprivatie bestaat volgens de enquêtes waarover we beschikken. Om de armoede te verminderen, moet de overheid bijgevolg niet prioritair inzetten op het verminderen van de materiële deprivatie, maar wel op het verminderen van de inkomensarmoede door te focussen op inkomensbescherming en herverdeling enerzijds, en het toeleiden van jobs naar jobarme gezinnen anderzijds. Bovendien moeten we de goede Vlaamse prestaties op het vlak van materiele deprivatie ook nuanceren, want in de enquêtes waarop deze cijfers zijn gebaseerd worden daklozen, mensen zonder papieren en collectieve huishoudens niet bevraagd.
Voorzichtig positief
De conclusies die we trekken uit ons hoofdstuk over de prestaties van Vlaanderen op het vlak van inkomen en armoede zijn voorzichtig positief. Voorzichtig omdat we een regio met landen vergelijken, en dat altijd een beetje nattevingerwerk is (want heel wat belangrijke beleidsinstrumenten bevinden zich op het federale niveau). Positief, omdat Vlaanderen op het vlak van inkomen en armoede best wel goed scoort en zich inderdaad kan meten met de best presterende landen. We willen echter ook waarschuwen: de cijfers geven aan dat armoede en ongelijkheid eerder stabiel gebleven zijn in de pre-crisis periode, ondanks sterke job- en inkomensgroei.
Het probleem van armoede mag niet vervallen in een academische discussie over meten en tellen, maar het beeld dat in de recente artikelen opdook is onjuist en dreigt zo een harde realiteit te ontkennen waar we onze ogen niet voor mogen sluiten, hoe graag we dat misschien ook willen. Als we in Vlaanderen armoede grondig willen aanpakken, hebben we er geen baat bij te goochelen met cijfers. Armoede is vandaag nog steeds een realiteit in Vlaanderen, en alle overheden in dit land hebben de plicht om resoluut de kaart te trekken van zij die het moeilijk hebben en uit de boot zijn gevallen.
Jeroen Horemans, Pieter Vandenbroucke en Wim Van Lancker
zijn auteurs van het hoofdstuk over armoede in “De Sociale Staat van Vlaanderen 2011” (http://www4.vlaanderen.be/dar/svr/afbeeldingennieuwtjes/algemeen/bijlagen/2011-06-16-ssv2011-publicatie.pdf) en onderzoekers aan het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (www.centrumvoorsociaalbeleid.be). Een verkorte bijdrage verscheen eerder in De Standaard.
@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus - mod






22/06/2011 om 22:27
Armoe stinkt en dat gegeven is al decennia oud in België en Vlaanderen. Helaas neemt het niet af, maar blijft het een groeiend gegeven. Voor rijk Vlaanderen is het geen eer te moeten gewezen worden op gebrek aan solidariteit en moed om dat probleem aante pakken. Misschiend moeten de welvarende Vlamingen eerst eens een stage proeven van chronisch inkomenverlaging en gebrek om te beseffen wat het is.
23/06/2011 om 01:09
Privacy gaat voor alles. Maar Letermej brengt de GR-verkiezngen onrechtstreeks in gevaar voor onze katolieke partij. Leg dit maar eens uit aan onze gelovige mensen. Natuurlijk Groen en Blauw profiteert ervan. Laat hem maar (langzaam zonder media-belangstelling) aftreden. En ‘premier’ ga terug naar de Europese administratie .Daar was je goed: als boekhouder.