De internationale oliemarkten staan al enkele maanden onder hoogspanning. De golf van opstanden in de Arabische wereld en het wegvallen van de Libische olieproductie hebben de vrees voor schaarste aangewakkerd en de olieprijs de hoogte ingejaagd. Donderdag beslisten de westerse landen daarom om hun joker in te zetten: de strategische noodvoorraden. De komende maand zullen niet minder dan 60 miljoen vaten olie op de markt worden losgelaten uit de strategische oliereserves van de Verenigde Staten, Japan en enkele Europese landen. Met deze beslissing spelen de westerse regeringen hoog spel. Ze lopen niet alleen het risico nog meer onzekerheid te creëren op de reeds volatiele oliemarkt, maar ook om hun moeizaam verbeterde relaties met de olie-exporterende landen op te blazen.
Strategische oliereserves
Tal van oliehandelaars zullen zich donderdag waarschijnlijk in hun koffie hebben verslikt. De aankondiging dat de strategische olievoorraden zouden worden aangesproken, kwam immers als een donderslag bij heldere hemel. De aardolieprijzen leken sinds april over hun hoogtepunt heen, of minstens te stabiliseren. Bovendien gaven Saoedi-Arabië en enkele andere Golfstaten met reservecapaciteit aan dat ze hun productie verder zouden opdrijven, zelfs nadat een meerderheid van de OPEC-landen zich begin deze maand tegen zo’n productieverhoging had uitgesproken. Niettemin achtten de leden van het Internationaal Energieagentschap (IEA) het nodig om de strategische oliereserves aan te spreken.
Het IEA werd opgericht in de nasleep van de eerste oliecrisis in 1973-1974 en staat in voor het crisismanagement op de oliemarkt. Daarvoor beschikt het agentschap over een machtig wapen: elke lidstaat is verplicht om strategische oliereserves aan te houden van 90 dagen. Het is nog maar de derde keer dat deze reserves effectief worden ingezet. De eerste keer was in 1991 na de Iraakse invasie van Koeweit en de tweede keer was in 2005, wanneer Orkaan Katrina een groot deel van de olieproductie en raffinaderijen in de Golf van Mexico onklaar had gemaakt. Beide oliemarktinterventies worden als een succes beschouwd.
Ultieme reddingsboei
De westerse landen zijn traditioneel zeer omzichtig omgesprongen met deze bufferstocks, die lang werden beschouwd als het oliemarktequivalent van een atoomwapen. Het is nooit de bedoeling geweest deze stocks actief in te zetten als instrument om de olieprijs te manipuleren, maar enkel om ze te gebruiken als ultieme reddingsboei in de meest extreme omstandigheden, zoals een ernstige verstoring van de olieaanvoer door een terroristische aanslag. Dat de noodvoorraden niet werden gebruikt bij grote marktverstoringen zoals de Islamitische Revolutie, de tweede Golfoorlog of de olieprijsschok van 2008 toont aan hoe behoedzaam het IEA steeds met die reserves is omgegaan.
De laatste jaren leek het IEA bovendien een meer passieve houding aan te nemen en te rekenen op de OPEC-landen met reservecapaciteit (lees: Saoedi-Arabië) om aanvoertekorten op te vangen. Dat is opmerkelijk, want tot een heel eind in de jaren negentig stonden deze twee clubs, het IEA en OPEC, vijandig tegenover elkaar. Dertig jaar nadat het IEA was opgericht als tegenreactie op de olieboycot van de Arabische leden van OPEC, was het agentschap dus tot de conclusie gekomen dat de reservecapaciteit van OPEC-lid Saoedi-Arabië de eerste verdedigingslinie zou zijn bij een nieuwe oliecrisis.
Nieuwe interventionistische koers
Vandaag lijkt het IEA te zijn overgestapt op een nieuwe doctrine. Voor het eerst gebruikt het agentschap de olievoorraden op een preventieve manier, niet omdat er een olietekort is, maar wel omdat er een tekort dreigt. Binnenkort trekken veel gezinnen op reis met de wagen of het vliegtuig en dan is er traditioneel een toename in de vraag. Bovendien is er de wederopbouw in Japan, dat het nu met een pak minder nucleaire energie moet stellen, en zitten de Europese raffinaderijen bijna door hun voorraden heen. Het IEA heeft echter niet gewacht tot het tekort zich liet voelen. De beslissing van afgelopen donderdag kan dus de voorbode zijn van een meer interventionistische koers, waarbij de westerse landen hun reserves gaan aanwenden om de koers van de olieprijs bij te stellen.
In zo’n interventionistisch beleid schuilt wel een dubbel gevaar. Ten eerste kan het enkel tijdelijk soelaas brengen voor krapte op de markt. De wereldwijde strategische petroleumreserves staan momenteel wel op recordhoogtes, maar ze slinken uiteraard zodra ze worden ingezet. De overblijvende buffer is dan veel kleiner wat ons kwetsbaarder maakt voor acute crisissen als gevolg van onvoorziene gebeurtenissen, zoals terroristische aanslagen, politieke embargo’s of natuurrampen. Onduidelijkheid over de doctrine van het IEA kan bovendien de volatiliteit in de markt verhogen, omdat het verwarring zaait bij de oliehandelaars. Als de oliestocks niet gebruikt worden om kortstondige tekorten op te vangen, maar om langdurige (structurele) schaarste op te vangen, dan dwingen ze de consumenten niet om hun gedrag aan te passen en verergeren ze juist het onderliggende probleem.
Vazal van het Westen
Ten tweede kan een interventionistisch oliemarktbeleid de relaties tussen de olieproducenten en consumentenlanden verstoren. Het IEA stelt Saoedi-Arabië nu reeds in een moeilijke positie door te stellen dat de olievoorraden die het vrijgeeft enkel dienen om de periode op te vullen in afwachting van een productieverhoging in het Saoedische koninkrijk. Als de Saoediërs erin slagen om hun productie binnen de maand te verhogen, dan worden ze in de ogen van de andere OPEC-landen misschien nog meer gezien als de vazal van het Westen en groeit de onenigheid binnen het oliekartel.
Als het er niet in slaagt, dan stelt Saoedi-Arabië het IEA voor grote problemen, want dan wordt het IEA gedwongen om de huidige noodmaatregel te verlengen. Door de hoge overheidsuitgaven die Riyad de afgelopen maanden heeft gemaakt om de binnenlandse sociale vrede af te kopen, heeft Saoedi-Arabië echter een veel hogere olieprijs nodig dan enkele jaren geleden om de begroting in evenwicht te houden.
Thijs Van de Graaf is onderzoeker aan het Gents Instituut voor Internationale Studies
@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus - mod






28/06/2011 om 09:50
1. Als rechtvaardiging voor het vrijgeven van een deel van de strategische reserves verwijst het IEA naar de teruggelopen productie als gevolg van het conflict in Libië. Libië was met 1.6 MBPD nochtans verantwoordelijk voor minder dan 2% van de wereldproductie. Door de spanningen in het Midden-Oosten als reden naar voor te schuiven, lijkt het IEA het structurele karakter van de olietekorten te willen verhullen.
2. . Steeds meer analisten achten het immers waarschijnlijk dat de productiemarge in een nabije toekomst dreigt te verdwijnen, als gevolg van een toegenomen vraag vanwege de economische groeilanden enerzijds, en een verminderde productiegroei anderzijds (onder meer wegens de terugval van mature velden, onvoldoende investeringen en andere “bovengrondse factoren”). Sinds 2005 is de olieproductie ondanks hoge prijzen op een plateau blijven steken, terwijl de wereldwijde vraag met ongeveer 2% per jaar stijgt. Afhankelijk van de ernst van de tekorten kan dit in een nabije toekomst (volgens sommigen vanaf 2012 al) leiden tot prijspieken en een terugval van de wereldwijde economische groei.
3. Recentelijk heeft OPEC - onder voorzitterschap van Iran - geweigerd op de vraag van het IEA in te gaan om de productie op te drijven. Deze weigering leidde tot grote ontevredenheid van de US en andere OESO landen die door de hoge olieprijs het economische herstel bemoeilijkt zien. Saoudi-Arabië heeft na afloop van deze OPEC-bijeenkomst weliswaar verklaard de eigen productie unilateraal toch te verhogen, maar er groeien steeds meer twijfels of Saoudi-Arabië dit effectief wel kan. Aan het begin van de Libische crisis werd door de OPEC tevens geclaimd dat er een reserve capaciteit van 6 miljoen vaten per dag beschikbaar was. Maar ook hierover bestaan twijfels, in dat geval zou het vrijgeven van een gedeelte van de strategische reserves onnodig zijn geweest.
4. Er zijn derhalve goede redenen om aan te nemen we in een nabije toekomst met een structurele olieschaarste kunnen worden geconfronteerd, met significant stijgende olieprijzen als gevolg, en potentieel zeer ernstige gevolgen voor onze economie (groeivertraging, stagflatie, mogelijks een langdurige recessie). Onze economie is immers nog steeds in belangrijke mate van olie afhankelijk en ook kan zonder goedkope olie moeilijk economische groei worden gerealiseerd, een groei die we ongetwijfeld nodig zullen hebben om de overheidsschuld af te bouwen en de gevolgen van de vergrijzing aan te pakken. Het is verbazend dat er in onze media hierover zo weinig wordt bericht en dat dit onze politici amper bezig lijkt te houden, ondanks de potentieel ontwrichtende economische en sociale impact op onze samenleving. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Anglo-saksische wereld, waar het zogenaamde “peak-oil debate” intussen mainstream is geworden, en waar er door academici, politici, industriëlen, militairen en ook door de olie-industrie zelf wordt gewaarschuwd voor een nakende “oil crunch”. De even uitzonderlijke als dubieuze demarche van het IEA moet wellicht ook vanuit deze achtergrond worden geduid.
29/06/2011 om 00:32
Die laatste opmerking van Christophe Muylaert is voor België bijzonder relevant omdat onze economie, onze samenleving per eenheid BNP minstens 20% meer energie verbruikt dan alle ons omringende landen, tevens economische concurrenten. Dat heeft te maken met onze energie-intensieve industrie, maar ook in belangrijke mate met de miserabele energetische kwaliteit van onze gebouwen en de verhoudingsgewijs grote afstanden die we afleggen tussen onze woningen en de plaatsen waar we onze activiteiten (werken, ontspannen, inkopen,…) uitvoeren. Lezen dat de Vlaamse overheid wellicht 280 miljoen euro zal moeten spenderen aan de aankoop van emissierechten wijst niet alleen op een (te) hoge uitstoot van broeikasgassen, maar ook op nog veel grotere uitgaven voor de aankoop van energie in het buitenland.