Het ‘groot loopbaandebat’ van minister Pascal Smet doet stof opwaaien. Daarin doet hij voorstellen om de lerarenopleidingen te hertekenen, oppert hij mogelijkheden om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken en zet hij zwaar in op zij-instromers. Op zich lovenswaardige thema’s. Ze leggen pijnpunten bloot en het debat hierover komt de kwaliteit van ons onderwijs ten goede.
Wat leren ons vandaag de lerarenopleidingen op bachelorniveau.
Er is niets mis met de kwaliteit van de leraren.
In de Karel de Grote-Hogeschool bezoeken voor stagebegeleiding een 70-tal lerarenopleiders basisonderwijs meerdere keren per jaar meer dan 300 stagescholen. In combinatie met de ervaringen van 60 lerarenopleiders secundair onderwijs (die jaarlijks samen minstens 6.000 uren in stagescholen doorbrengen), leren we dat er bij directies een terechte zorg leeft over de startbekwaamheid van de eerstejaarsstudent maar onbetwistbare tevredenheid heerst over de uitstromende, afstuderende student. De leraar op bachelorniveau is onmiddellijk inzetbaar, dynamisch en enthousiast. De slaagcijfers liegen er niet om. Lerarenopleiders zijn streng maar rechtvaardig. Elke bachelor moet aan de basiscompetenties van leraar voldoen. Gemiddeld worden er op tien instromende studenten vier gediplomeerd.
Geen nood aan ‘masterdrift’, wel aan ‘meesterschap’
Het lerarendiploma heeft een beperkte houdbaarheidsdatum. Onderwijs evolueert snel, evenals de kenmerken van schoolpopulaties en inzichten in leerprocessen. Als leraar blijven werken aan het eigen meesterschap is noodzakelijk. Daarom moet hij zich verder bekwamen d.m.v. permanente vorming. Enkele hindernissen kunnen worden opgeruimd: haal professionalisering weg uit de sfeer van vrijblijvendheid en koppel ze aan assessment. Dit assessment – gebaseerd op de strategische doelstellingen van de school - geeft richting aan de inhoud en vorm van de persoonlijke en teamgerichte professionalisering. Bevraag scholen over de eventuele knelpunten. Hebben leraren voldoende tijd en ruimte om zich het meesterschap eigen te maken? Heeft een directeur voldoende tijd om een concreet strategisch schoolbeleid uit te zetten en dit te linken aan een professionaliseringsbeleid?
Succesvolle professionalisering moet gekoppeld worden aan beroeps-differentiatie, zelfs aan beroepsbevordering ( inclusief salarisverhoging). Leraar ben je, in meesterschap groei je. Voor wie leraar wil blijven, volstaat een vlakke loopbaan. Wie meesterschap beoogt, heeft nood aan verdere loopbaanstappen, hetzij in de diepte (bv. expert in muzische vorming, in rekenen, in taal, in zorg), hetzij in de hoogte (bv. excellente leraar, mentor, mentor-coach).
Koppel ‘kwaliteitsverhoging’ aan ‘capaciteitsverhoging’
Tegen 2020 zijn er 12.000 leraren basisonderwijs te kort. Lerarenopleidingen in de Hogescholen komen hierdoor zwaar onder maatschappelijke druk te staan. Momenteel volgen ongeveer 25.000 studenten een lerarenopleiding op bachelorniveau, een stijging van 36% in vergelijking met 5 jaar geleden. Ondanks de vaststelling dat ze bij jongeren steeds meer in trek zijn is, lukt het de Hogescholen niet om voldoende lerarendiploma’s af te leveren. Het ontbreekt hun evenwel niet aan expertise, wel aan middelen. Er is dringend nood aan een ‘overbruggingskrediet’, aan financiële middelen die Hogescholen toelaten om én tijdelijk ( bv. tot 2020) én extra in te zetten op een grote differentiatie aan leerroutes om leraar te worden. Dit kan zijn: avondonderwijs, weekendonderwijs, afstandsonderwijs, verkorte lerarenopleidingen, omscholingstrajecten, enz.
Zo komen zij-instromers volledig aan hun trekken. En ze zijn welkom. Een vraag terzijde: wordt bij het salaris van de leraar-zij-instromer zijn elders opgebouwde anciënniteit in rekening gebracht? Zo niet, reken dan niet op groot succes. Zij-instromers – net zoals sterke studenten – dagen de lerarenopleiders uit om de kwaliteit van de opleiding hoog te houden. Een kwaliteitsvolle lerarenopleiding houdt in, dat ze op maat van de student een gepast studietraject aanbiedt.
Anno 2011 is de studentenpopulatie erg divers: lerarenopleidingen trekken studenten aan met een zwakke startpositie, een gemiddelde en een sterke. Daar is niets mis mee maar het vraagt wel om gedifferentieerde leerroutes, inclusief studieduur. Onderwijs op maat. Wie zwak begint, doet er iets langer over en wordt extra geholpen; wie sterk begint, behaalt sneller het diploma.
Geen nood aan ‘schools of education’, wel aan een ‘lerarenopleiding voor lerarenopleiders’
Lerarenopleidingen zijn in de schoot van multidisciplinaire Hogescholen de motor voor onderwijsvernieuwing en –ondersteuning. Lerarenopleiders zijn leraar tot de tweede macht en in staat om docenten Hoger Onderwijs te coachen. Trek ze daar niet weg, maar ondersteun ze in hun dubbele missie. Lerarenopleiders zijn evenwel niet blind voor eigen tekorten. Terecht merkt minister Smet op dat ook zij aandacht moeten hebben voor permanente vorming en professionalisering. Het best worden zij ondersteund aan de hand van een uitgewerkt beroepsprofiel. De beroepsgroep van lerarenopleiders zelf nam dit geruime tijd geleden ter harte en is terecht fier om op het VELOV-VELON congres te Antwerpen (6 en 7 februari 2012) een presentexemplaar van het beroepsprofiel lerarenopleider aan de minister van Onderwijs te kunnen overhandigen. Een primeur!
Geen nood aan ‘juffen en meesters worden master’ en wel aan een ‘masterclass voor lerarenopleiders‘
Het beschikken over een beroepsprofiel is één zaak, terecht kunnen in een adequate lerarenopleiding voor lerarenopleiders een andere. Behoort dit type van lerarenopleiding nu net niet tot de exclusieve taak van een universiteit? Een goede leraar is niet noodzakelijk een goede lerarenopleider. Ervaring in het leerplichtonderwijs is een onvoldoende voorwaarde. In-service training voor lerarenopleiders helpt, maar vertrekken van een basisopleiding is noodzakelijk. Leraar ben je, lerarenopleider word je.
Wat maakt lerarenopleiders anders dan leraren of docenten hoger onderwijs? Lerarenopleiders onderwijzen het onderwijzen. Hun handeling valt samen met het doel en dit maakt hen uniek. Dit in tegenstelling tot bv. een docent verpleegkunde. Hij geeft les over verpleging, maar verpleegt niet de verpleging. Lerarenopleiders moeten worden geschoold in basiscompetenties van de leraar, maar dan in de overtreffende trap. Dat voelt minister Smet goed aan. De basis voor een masterclass ligt vervat in het reeds uitgewerkte beroepsprofiel en hoort academisch volwassenenonderwijs te zijn.
Leraren en lerarenopleiders vormen samen een hecht partnerschap
De minister stelt - absoluut terecht - dat een opleidingstraject van leraar in een continuüm zit: het gaat van initiële lerarenopleiding over op aanvangsbegeleiding naar competentieontwikkeling. In mensentaal wil dit zeggen: je ‘groeit’ in de job. Je volgt eerst een opleiding, daarna ga je werken en kan je rekenen op coaching om tenslotte jezelf permanent te verbeteren door vorming. Deze logica houdt in dat er geen bruuske overgang mag zijn tussen opleiding en tewerkstelling.
Concreet betekent dit dat er geen muur mag zijn tussen lerarenopleiding en school. Lerarenopleidingen mogen onder geen beding werken vanuit een ivoren toren, zogezegd omdat ze beschikken over academische vrijheid. Scholen mogen zich onder geen beding onttrekken aan de begeleiding van stagiaires zogezegd omdat ze er geen bevoegdheid voor hebben. Leraren opleiden doe je hand in hand. Bij wie kunnen studenten beter de knepen van klasmanagement leren dan bij de leraar zelf? Wie anders dan de lerarenopleider kan mentoren vormen die ingezet worden zowel bij stage- als bij aanvangsbegeleiding? Elke leraar is in se een lerarenopleider, elke lerarenopleider een leraar. De verantwoordelijkheden zowel voor de leraar-in-wording als voor de leerling zijn complementair. Dit betekent dat scholen en lerarenopleiding in partnerschap werken en vanuit dit partnerschap groeien naar een effectieve leergemeenschap, een échte ‘school of education’.
Koester bachelor-leraren en zet er specialisten naast
Ons onderwijs is goed. Kinderen kunnen vanaf hun 2,5 jaar dagelijks in scholen terecht. In die scholen werken professionals, goed opgeleide leraren. Hogescholen slagen erin om op drie jaar tijd onmiddellijk inzetbare leraren basis- en secundair onderwijs te vormen. Wie doet beter? Leraren op bachelorniveau zijn in staat om leerlingen zowel te onderwijzen, als op te voeden. Maar het wordt spannend. De kerntaak van de leraar komt in het gedrang. Voor te veel maatschappelijke problemen wordt op hem beroep gedaan. Hij moet niet enkel kinderen leren lezen en schrijven, voortaan ook gezond leren eten, bewegen, ontspannen, ontstressen, verzorgen, liefhebben, beleefd zijn, correct spreken, enz. De leraar als manusje-van-alles.
Dit gaat fout. De leraar moet opnieuw meer ruimte krijgen voor datgene waarin hij specialist is, nl. onderwijs. Laat alle overige uitdagingen in en rond een school over aan andere specialisten. Zorg voor multidisciplinaire schoolteams. Versterk schoolteams met logopedisten, maatschappelijk werkers, orthopedagogen, zorgspecialisten. Breek de schoolmuren open en ga allianties aan met de brede zorg- en welzijnsector.
Koester het basisonderwijs en voeg masters toe
Enkel de besten mogen leraar worden want we vertrouwen hen toe wat ons meest dierbaar is, nl. onze kinderen, onze toekomst. Niettegenstaande de stelling dat ons onderwijs goed is, geldt: alles kan beter. Het onderwijs kampt met enkele hardnekkige problemen.
- Niet elk kind komt tot zijn recht. Voor kinderen die onderaan de sociale ladder staan is onderwijs geen hefboom. In tegendeel, onderwijs reproduceert nog teveel de sociale ongelijkheid.
- Voor kinderen met speciale noden, motorisch en/of psychisch, is niet steeds de juiste aanpak voorhanden. Leraren zijn in bepaalde omstandigheden onvoldoende handelingsbekwaam.
- Scholen zijn nog onvoldoende op de hoogte van relevante onderzoeks-resultaten die de kwaliteit van hun werking kunnen verbeteren.
Deze stellingen moeten wat genuanceerd worden, maar vatten wel de knelpunten samen waaraan dringend moet gewerkt worden. Masters in het basisonderwijs kunnen hierin ondersteuning bieden. Het debat ‘vermastering van de lerarenopleiding’ moet worden omgebogen naar ‘ versterking van het basisonderwijs door masters toe te laten’.
Lieve Desplenter
(De auteur is Departementshoofd lerarenopleiding van de Karel de Grote-Hogeschool, Antwerpen)
@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus - mod)






28/10/2011 om 19:22
Begeesterend artikel. Het is fijn te lezen dat over onderwijs nagedacht wordt, aan de leraar hoge eisen gesteld worden en dat hij anderzijds een plaats opgeëist krijgt die hij verdient.
28/10/2011 om 22:47
Wat ik weet ik dat een leerkracht onze kinderen leerde dat de laatste dag van de week de zaterdag was. Gelezen in een Joods boek wellicht ?
29/10/2011 om 00:25
Veréénvoudiging ! Het kernwoord in het onderwijs én de lerarenopleiding of toeleiding naar het lerarenberoep …. Veréénvoudiging ook in een opiniestuk waarin met duizende woorden iets wordt gezegd dat met de helft minder had gekunnen. Veréénvoudiging van het takenpakket, zoals terecht in het stuk wordt omschreven, maar dit vanuit het standpunt van de leerling, niet vanuit het oogpunt van ministeries, schooldirekties, raden van bestuur …. stel de relatie leerling-leerkracht terug centraal want een goede leerkracht is diegene die op een éénvoudige wijze, wijsheid kan brengen naar zijn leerlingen, en niet die leerkracht die met scholing, bijscholing en andere belastende onderdelen van zijn kerntaak wordt gehouden !
03/11/2011 om 10:48
Vereenvoudiging (met dank aan marcel vervoort) is tegenwoordig een populistische vloek. Niets is eenvoudig omdat het niet eenvoudig mag. Hoe wil je anders een ronkende (Engelstalige) titel geven voor een opleiding?
Leraar zijn is leren communiceren met de leerlingen, veel meer dan veel “stof” kennen. De meeste leerlingen doen niet graag “exacte” vakken, zoals wiskunde, fysica enz… omdat de leraars in deze vakken meestal bollebozen zijn maar niets kunnen overbrengen. Soms zijn ze zelfs taalarm of onbekwaam zich in d enkwereld van de arme leerling te verplaatsen.
Leraar zijn is ook gezag hebben om “orde in het kot” te houden. Zoniet wordt elke les een chaotisch gebeuren dat misschien wel prettig maar waardeloos is.
Laat de opleiding tot leerkracht zich dus vooral daarop concentreren; titels kan je er later wel opplakken.
17/11/2011 om 11:49
Leraars wetenschappen zijn bollebozen. Is dat slecht? Een grote kennisbasis is nodig om de wetenschapsvakken te kunnen geven, om de wetenschappelijke evoluties mee te kunnen volgen en in de lessen te integreren, om elk jaar de leerstof te vernieuwen, om enthousiasme uit te stralen, om vragen van leerlingen te kunnen beantwoorden. Ik heb nooit motivatie- of interesseproblemen ervaren bij mijn leerlingen, juist door een brede wetenschappelijke (master)kennis te kunnen inzetten.
De cruciale factor is inderdaad het kunnen overbrengen. Dit is complexer dan louter de klas in de hand houden. Probleem 1: de commercialisatie van het secundair onderwijs. Handboeken die al 50 jaar lang dezelfde leerstof herkauwen, bepalen de lesinhouden en doden elke vorm van creativiteit en vrijheid bij de pas afgestudeerde leerkracht die inderdaad in het begin nog enthousiast is maar al snel vervalt in kuddegedrag (de fameuze praktijkschok). Hoeveel interessante lessen zien nooit het daglicht, omdat het handboek gevolgd wordt of omdat werkbladen ingevuld moeten zijn? Hoeveel directies zijn er niet die hun leerkrachten een handboek opleggen/verplichten? Hoeveel oudere leerkrachten temperen niet het enthousiasme van hun jongere nieuwe collega’s? Probleem 2: daar tegenover zit een generatie leerlingen die zelf minder en minder actief/spontaan op zoek gaat naar kennis, maar die dat overlaat aan het internet. Waarom iets leren, als je het altijd op het internet kunt vinden? Waarom zelf iets onderzoeken als je het antwoord ongetwijfeld op het internet terugvindt? Ze zijn evenwel beperkt ICT-vaardig. Dit is een gegeven waar de lerarenopleiding, de leerkrachten maar vooral ook de overheid (wetenschapsbeleid?, innovatie?, creativiteit?, kenniseconomie?, …) mee rekening moeten houden. Veel leerlingen zijn net géén bollebozen en dragen geen bagage meer. Probleem 3: en zo komen ze de lerarenopleiding binnen. In steeds grotere aantallen en met elk hun eigen opleidingswensen en administratieve planlasten. Dat systeem is niet houdbaar en belooft weinig goeds voor de kwaliteit in de toekomst. Probleem 4: in het secundair onderwijs staan nu heel wat leerkrachten die niet opgeleid zijn voor het vak dat ze geven, omdat de vacante plaats wel ingevuld moet zijn. “Kleine” vakken zijn meestal de dupe. Gevolg: minder gepassioneerde leerkrachten, minder gemotiveerde leerlingen, … en niet-gemotiveerde leerlingen “breken het kot af”. Het gaat dus niet alleen om basiscompetenties, ook om omkadering en duurzaam onderwijsbeleid.
Het huidig idee om het secundair onderwijs te hervormen (belangstellingsgebieden aanbieden) kan iets verbeteren. Maar de macht van het handboek blijft ook dan nog te groot. Wat we nodig hebben zijn trotse vakleerkrachten - bollebozen, dwarsliggers, ideeënmakers, gepassioneerden - die hun eigen weg kiezen binnen het kader van de eindtermen, die zelf hun kennis opbouwen en doorgeven, die geen slaaf willen zijn van het voorgekauwde handboekensysteem, en die hun vak kunnen promoten zodanig dat ze jongeren maar ook collega’s motiveren en kunnen boeien. Om zo’n leerkrachten op te leiden uit de generaties die zich momenteel in de lerarenopleiding aandienen, is een nieuw leiderschap en een integrale hervorming nodig. Oude visies raken/zijn voorbijgestreefd. Oplapwerk is niet duurzaam.