deredactie.be - OPINIE

Wetenschap is een meervoud

02 / 01 / 2012

 

Naar aanleiding van een vinnig eindejaarsdebat over de psychoanalyse dat dezer dagen diverse opinie- en discussiefora siert, hier enkele beschouwingen.
Laten we de complexiteitsgraad van ‘wetenschappelijkheid’ niet onderschatten. Zij is even complex, of zou dat moeten zijn, als haar object van onderzoek, met name niets minder dan de zogenaamde ‘werkelijkheid’. Wetenschap is overigens zelf een sociaal construct, waarvan de bepaling niet voor eeuwig vastligt, maar dat zoals alles wat menselijk is tijd- en cultuurgebonden is.

Om te beginnen heb je verschillende soorten wetenschap. Wetenschap is een meervoud. Zoals je niet kunt spreken van dé psychoanalyse, kun je evenmin spreken van dé wetenschap, noch van dé wetenschapsfilosofie. Je hebt, om maar wat te noemen, zuivere theoretische wetenschap als de wiskunde, je hebt de positieve of natuurwetenschappen zoals de fysica, en je hebt de mens- of geesteswetenschappen zoals de geschiedenis- of de literatuurwetenschap of de culturele antropologie, en de geneeskunde is dan weer een intrinsiek toegepaste wetenschap. Al deze kennisgebieden kunnen op hun manier wetenschappelijk zijn. Vooraleer verder in discussie te gaan of ons te laten misleiden door stoere taal die bij een zwart-wit denken nogal eens de boventoon voert, dienen we dus te nuanceren over welk soort wetenschap het gaat.

Pseudo-wetenschap?

Om een bepaald kennisgebied of praktijk te kunnen bestempelen als pseudo-wetenschap, zoals wetenschapsfilosofen als Johan Braeckman en Maarten Boudry graag doen m.b.t. de psychoanalyse, moet aan twee voorwaarden zijn voldaan: ten eerste moet geëxpliciteerd worden over welk soort wetenschap men spreekt, ten tweede moet nagegaan worden of het betreffende kennisgebied wel onder die beoogde soort wetenschap thuishoort.

Menswetenschap

Elk commentaar over het wetenschappelijke statuut van de psychoanalyse dat totaal niet differentieert in het zo gevarieerde veld van wetenschappen en zich bijgevolg helemaal niet afvraagt in welke wetenschapsstal de psychoanalyse dient te worden ondergebracht, is daarom sowieso kortzichtig en moeilijk au sérieux te nemen. Al te dikwijls wordt in dergelijke commentaren een monowetenschappelijke taal gehanteerd, meer bepaald die van de exacte of natuurwetenschappen, en wordt er als vanzelfsprekend van uitgegaan dat ook het wetenschappelijkheidsgehalte van de psychoanalyse aan de hand van de dáárbij horende criteria moet en kan worden beoordeeld. Daar loopt het natuurlijk al grondig mis: de psychoanalyse is geen natuurwetenschap, wat niet uitsluit dat zij – al dan niet misplaatst – roekeloze of slordige oprispingen heeft in die richting, maar behoort tot het rijke domein van de menswetenschappen.

Daarom is de vergelijking van de psychoanalyse met een ‘pseudo-wetenschap’ als de frenologie totaal niet terzake en is het bedroevend dat sommige wetenschapsfilosofen niet wat meer afstand kunnen nemen van hun eigen evidenties en zich menen te moeten bedienen van retorische trucs die de eigenlijke discussie slechts op een zijspoor zetten. De frenologie streefde er immers niet alleen wel degelijk naar een exacte wetenschap te zijn, zij maakte er ook aanspraak op. De psychoanalyse heeft die pretentie niet. Zij is nu veel bescheidener dan ze dikwijls wordt voorgesteld. Dogmatici of fundamentalisten heb je helaas in alle wetenschapsgebieden, zeker ook in de psychoanalyse (bijvoorbeeld in bepaalde Franse lacaniaanse kringen maar niet alleen daar), en blijkbaar ook in de wetenschapsfilosofie. Ik neem echter aan dat het verkeerd zou zijn, ook in de wetenschapsfilosofie, om dat dogmatisme te extrapoleren naar de hele wetenschapstak in kwestie.

Geen natuurwetenschap

Dit alles neemt niet weg dat de wetenschappelijke status van de psychoanalyse wel degelijk problematisch is en dikwijls in zichzelf verstrikt geraakt in het debat erover. Een natuurwetenschap zal ze nooit worden en dat hoeft ook niet (de psychologie daarentegen probeert zich – helaas – wél steeds meer natuurwetenschappelijke allures aan te meten). Maar voor zover ze ook een therapeutische praktijk omhelst kan met recht van haar geëist worden dat ze zich empirisch laat onderbouwen. Gezien de aard van haar praktijk is dat niet gemakkelijk, waardoor ze de inspanningen op dat vlak lang heeft verwaarloosd, maar er wordt al verschillende decennia hard aan gewerkt en ze kan tot nu toe zonder moeite de vergelijking met andere psychotherapievormen doorstaan Naast effectiviteitsonderzoek is er ook een groeiende toenadering tussen de psychoanalyse en de neurowetenschappen, wat o.m. resulteert in het ontstaan van de nieuwe discipline ‘neuropsychoanalyse’.

In tegenstelling tot wat nogal eens wordt gedacht, isoleert de psychoanalyse zich niet van andere wetenschapsdomeinen. Ook in het therapeutische veld, haar core business, opereert de psychoanalyse in rechtstreekse samenwerking met andere therapeutische stromingen, en dat in sectoren zoals private groepspraktijken, de centra voor geestelijke gezondheidszorg, psychiatrische ziekenhuizen, psychiatrische afdelingen van algemene ziekenhuizen, dagbehandelingscentra, enzovoort.


Zelfbewustzijn

Als een echte menswetenschap zoekt de psychoanalyse, met vallen en opstaan, en niet zonder flaters en doodlopende zijwegen, juist naar de mogelijke bruggen tussen de werking van het – tegenwoordig heilig verklaarde – brein en de symboliserende processen die de mens, altijd gemedieerd door de ander maar evenmin af te scheiden van zijn individuele dispositie, daar willens nillens op loslaat. Omdat de mens nu eenmaal behept is met zelfbewustzijn, zal hij nooit met (het beeld dat hij heeft van) zichzelf samenvallen. Er blijft tussen wat hij is en hoe hij naar zichzelf kijkt altijd en onvermijdelijk een gaping, wat in de psychoanalyse de ruimte creëerde om zoiets te denken als ‘het onbewuste’. Het problematische wetenschappelijke statuut van de psychoanalyse heeft precies dáár mee te maken: de mens zit onvermijdelijk gevangen (maar daarin zit juist ook zijn vrijheid) in het spanningsveld tussen de werkelijkheid en zijn werkelijkheid.

Precies dát spanningsveld is het onderzoeksobject bij uitstek van de psychoanalyse. Of het nu over autisme gaat, of over psychose, depressie, delinquentie, verslaving of wat dan ook, steeds doet de psychoanalyse er goed aan de verschillende werkelijkheidsaspecten ervan te onderkennen, bijvoorbeeld zowel erfelijk bepaalde neurologische processen als symboliserende, interpretatieve antwoorden die deze ontlokken (wat haar overigens ook tot een interessante gesprekspartner maakt voor bijvoorbeeld de culturele en de wijsgerige antropologie). Als ze zich schuldig maakt aan eenzijdigheid daarin, in béide richtingen, mag haar dat aangewreven worden. Gezien de complexiteit van de werkelijkheden die de psychoanalyse onderzoekt, zal empirische toetsing zoals velen deze terecht voorstaan, ondanks het belang ervan, voor haar dan ook nooit alleenzaligmakend zijn. Ze dient ervoor open te staan zonder er zich op blind te staren. De psychoanalyse is zoveel meer dan een discipline die zich restloos laat inschrijven in bepaalde vigerende toetsings- en wetenschappelijkscriteria.

Geen karikatuur

Laat wie zich daartoe geroepen voelt de psychoanalyse verder bekritiseren en, waarom niet, haar aannames en hypothesen met argwaan volgen. Maar laten we er door desinformatie geen karikatuur van maken, want dan wordt wat een prikkelend debat zou kunnen worden, zo’n saaie boel. Het is misschien in de eerste plaats aan de psychoanalytici zelf om meer naar buiten te komen en van zich te laten horen. Dat doen ze veel te weinig. Geen enkele partij hoeft vooralsnog het laatste woord te hebben.

Michel Thys

(De auteur is hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Psychoanalyse.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

12 Antwoorden op “Wetenschap is een meervoud”

  1. johan bosmans Zegt:

    Kleine suggestie voor iedereen die reageert: eerst een ondubbelzinnige definitie van “de werkelijkheid” geven.
    Met dank bij voorbaat.

  2. Toon Van den Durpel Zegt:

    Als alles wat niet wetenschappelijk is, pseudowetenschappelijk zou zijn, is het per definitie wetenschappelijk onomstotelijk bewezen dat de werkelijkheid niet te bewijzen valt.

  3. Stefan Noppen Zegt:

    Het probeem van de psycho-analyse is niet zozeer het feit dat ze vertrekken van bepaalde modellen, maar dat ze deze te weinig bekijken als werkhypotheses die nog aan een grondige toetsing moeten onderworpen worden alvorens ze als therapie of remedie te aanvaarden. Het is zoals een medicament promoten waarvan men nog niet weet of het werkelijk helpt en werkzaam is, maar waarvan men ondertussen al wel gelooft in de werkzaamheid ervan omdat men vertrekt van een onaangetoonde potentiële werkzaamheid. De placebo- effecten zijn daarom ook heel groot in de psycho-analyse en de grens tussen wetenschap en ’sjamanisme’ wordt zeer vaag. De kans op misbruik en kwakzalverij omwille van geloof in werkzaamheid in plaats van aanvaardbare aangetoonde werkzaamheid is daarom significant en daarom verwerpbaar. De kans dat psycho-analyse ‘werkt’ door toeval is te groot om dat nog ernstig te nemen. Een handige illusionist kan daarom ook een succusvolle psycho-analyst zijn.

  4. Jonas Maebe Zegt:

    @Stefan Noppen

    Als je het placebo-effect als probleem zou aanzien: je hebt net hetzelfde effect bij gewone medicatie, ondanks alle tests met controle-groepen e.d. De laatste jaren zit men zelfs met een raar fenomeen waarbij het soms lijkt dat het placebo-effect hoe langer hoe sterker begint te worden, in die mate zelfs dat het de verwachte fysische effecten van medicatie zoals valium en prozac soms overstijgt.

    Men doet ondertussen volop onderzoek naar de neurologische basis van het placebo-effect (of de placebo-respons, zoals sommigen het hebben omgedoopt, aangezien men b.v. reeds medicatie heeft ontdekt die de placebo-respons voor pijnstillers kan blokkeren), om op die manier te zoeken hoe je dat placebo-effect kan maximaliseren. Daarbij is het niet de bedoeling de traditionele medicatie overboord te gooien, maar om een gecombineerd maximaal effect te bereiken.

    Dit maar om te zeggen dat “het is mogelijk enkel een placebo-effect is” niet noodzakelijk wil zeggen dat het zever is, en evenmin dat het niet (natuurwetenschappelijk!) meetbaar of kwantificeerbaar is tot op zekere hoogte. Als psychoanalytische behandelingen een grote “placebo-respons” kunnen opwekken, dan lijkt mij dat uitermate nuttig. Merk ook op dat placebo-responses ook langdurige effecten kunnen hebben.

    Een heel interessant artikel over de opgang van interesse voor het placebo-effect/de placebo-respons kan je vinden door te googelen op “Placebos Are Getting More Effective. Drugmakers Are Desperate to Know Why.” (artikel van Wired)

    Trouwens een leuk weetje uit dat artikel: in tests werken blauwe kalmeringspilletjes beter dan rood gekleurde, behalve bij Italiaanse mannen. De reden: blauw is de kleur van hun nationale voetbalploeg.

  5. Lagae Louis Zegt:

    Wat mijn bipolariteit betreft waren psycholoog en psychanalist niet nuttig. Het bleek later zelfs schandalig dat ze mij zo lang sjamanistisch hadden vastgehouden. Om den brode of uit pure domheid vooral.

    Soms hebben ze in dit domein succes na lange tijd ttz zeggen als bipolariteir na uiterst pijnvolle maanden vanzelf verdwijnt. Als er natuurlijk geen zelfdodoing optrad.

    Ik mag verhopen dat die pseudo-wetenschapper met tijd weten wat ze al of niet kunnen.

    Dit is een zware aanklacht met een goed doel.

  6. Lagae Louis Zegt:

    Addendum. Ik lees een beetje en leer dat hierig M. Thijs, psycho-van-alles, Lacaniaans te keer gaat. Beiden menen zich op deze wijze interessant te maken. Maar : ce qui se comprends bien, s’explique aisément. Psycho is niet verifiëerbaar ( Popper) en zou tot nederigheid moeten leiden. Wat de psycho’s moeten inzien is dat ze zo snel mogelijk moeten doorverwijzen.

  7. Olaf Dp Zegt:

    Psychoanalyse heeft zijn plaats in een triangulatie met andere onderzoeksmethodieken. Multidisciplinair denken kan helpen. En zoals altijd in wetenschappelijk denken: il faut se méfier de comprendre. Als dat een reflex is binnen psychoanalyse; geen probleem.

  8. Stefan Noppen Zegt:

    Men hoeft helemaal geen psycho-analyst te zijn om placebo-effecten uit te lokken. Een illusionist, pendelaar, pastoor, kaartenlegger, zelfs madame soleil, maar ook voodoo en reclame kunnen dat effect uitlokken. Alleen is de vraag of je daarmee de portemonnee van naieve patienten nodeloos lichter hoeft te maken door het te verpakken met een professioneel lintje? Dat wetenschappers uiteraard meer willen weten wat de invloed is van placebo-effecten op ons brein en ons lichaam is niet meer dan normaal. Op die manier kan men beter te weten komen wat nu werkeliijk werkzaam is en wat tijdelijk en onzeker en in hoever placebo’s onder bepaalde omstandigheden bruikbaar en nuttig zijn. Maar die wetenschap kan ook leiden tot misbruik. Trouwens papa’s en mama’s passen eveneens vaak zonder te weten gratis placebo-effecten toe met opvoedkundige trucjes tav hun kinderen evenals talismannen, bepaalde rituelen en hartverwarmende gesprekken met goede vrienden of zelfs een warme tas thee wanneer je je wat grieperig voelt Heb je eigenlijk wel psycho-analyse nodig om placebo-effecten uit te lokken? En hoe bewaak je de grens tussen echte hulpverlening en uitbuiting? Daar draait het om. Hoeveel hoofdpijnmiddeltjes zijn meer placebo dan werkelijk medicatie? Ook de farmaindustrie weet hoe je commercieel placebo’s kan verkopen, want die brengen vaak meer op dan werkelijke geneesmiddelen, vooral als je gezonde mensen kan wijsmaken dat ze ziek zijn. Vitamientjes met ‘kilo’s’ aanprijzen is ook zo’n gevaarlijke placebo achtige commerciele stunt. De lange termijn effecten zijn vaak schadelijker dan de korte termijn voordelen.
    En je kan natuurlijk ook mensen in de waan brengen en zelfs aanpraten dat ze ziek zijn zodat ze telkens hun therapeut moeten opzoeken om zich opnieuw beter te voelen. Een vorm van aangeleerde hulpeloosheid met nocebo-achtige neveneffecten indien je niet op tijd je therapeut betaalt voor de zoveelste sessie. Niets zo gevaarlijk als vermeende professionaliteit onder het mom van zogenaamde wetenschappelijk verantwoorde analyse. Het etiket wetenschap wordt vandaag veel te snel verstrekt als commercieel argument om therapietjes aan te praten en te verkopen.

  9. Jonas Maebe Zegt:

    @Stefaan Noppen

    “Een vorm van aangeleerde hulpeloosheid met nocebo-achtige neveneffecten indien je niet op tijd je therapeut betaalt voor de zoveelste sessie.”

    Mijn excuses om uw en mijn te verdoen.

  10. Koen Lowet Zegt:

    Het grote probleem in het huidige debat omtrent psychotherapie ligt hem niet zozeer in het academische (lees: welke therapie - richting is de beste?). Het ligt hem eerder in het gebrek aan reglementering en kwaliteitscriteria, waardoor de patiënt zijn weg niet vindt naar de psychotherapeut, maar ofwel verzandt in jarenlang medicatiegebruik ofwel een nare ervaring opdoet met één of andere kwakzalver.

    Dit gezegd zijnde dient één van de kwaliteitscriteria toch te zijn dat men therapie verschaft, wat gebaseerd is op wetenschappelijke inzichten. Wanneer de patiënt bij de therapeut terechtkomt, heeft die er recht op dat wat de therapeut met hem doet gebaseerd is goed wetenschappelijk onderzoek. Anders is die therapeut geen haar beter dan de kwakzalver. Dat wetenschappelijk onderzoek meer is dan alleen maar het experimenteel - positief wetenschappelijke kader is evident, dat de psychoanalyse hierin niet te vangen zou zijn is echter niet waar. Kijk maar naar het onderzoek van o.a. Peter Fonagy en collega’s.
    Het probleem lijkt eerder te zijn dat de psychoanalysten jarenlang gewacht (geweigerd?) hebben om mee te stappen in de trein van het wetenschappelijk onderzoek naar therapie. Dat is jammer, want dat heeft onder andere geleid tot het schrappen van de psychoanalyse door de zorgverzekeraars in Nederland en daarmee loopt de psychoanalyse hopeloos achter met andere therapiestromingen, die dit wel hebben gedaan. Met andere woorden, de psychoanalyst kan het zich niet permitteren om niet na te gaan of zijn interventies werken bij de patiënt of niet.
    Laten we dan ook hopen dat men snel kan bijbenen of we riskeren anders dat een belangrijke historische voedingsbron van het psychologische denken verloren gaat.

    Koen Lowet
    Sectorverantwoordelijke klinische psychologie Belgische Federatie van Psychologen

  11. K.V. Zegt:

    Enkel een therapie waardoor de mens aan zelfbewustzijn wint, is voor mij waardevol.

    Uit eigen ervaring kon ik vaststellen dat geen enkel ‘therapiesysteem’ die kwaliteit automatisch garandeert.

    De kwaliteit van mijn therapie hing veel meer van de persoonlijkheid van de therapeut af dan van ‘het systeem’.

    Tja, hoe ga je dit dan adequaat ‘meten’?

  12. René Lenaerts Zegt:

    Als een aspirintje mij bjna telkens helpt bij hoofdpijn geloof ik in dat pilletje.
    Als een psychiater met een bepaalde methode bijna altijd een bepaalde psychische aandoening kan verhelpen geloof ik ook in hem.
    Zoniet moet die psy toegeven dat hij slechts op zoek is naar oplossingen, zonietf dat hij aan kwakzalverij doet.
    Maar dikwijls zijn het de hulpzoekenden die met alle geweld willen geloven in allerlij “wonderdoktoors”.

Plaats een antwoord op het bericht